Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dalen - (omlaag gaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dal zn. ‘vallei’
Onl. in diverse plaatsnamen, waarvan als oudste geattesteerd: Daleim ‘Dalheim (Luxemburg)’ (letterlijk ‘huis in het dal’) [785-86; Gysseling 1960], in Dala (onbekende plaats in Oost-Vlaanderen) [856; Gysseling 1960]; onl. dal ‘vallei’, in dale ‘in het dal’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. dal ‘vallei’ [1240; Bern.].
Os. dal; ohd. tal (nhd. Tal); oe. dæl (ne. dale); ofri. del (nfri. delle); on. dalr (nzw. dal); got dal, dals, alle met de betekenis ‘vallei’; < pgm. *dalan, *dalaz.
Buiten het Germaans zijn wrsch. verwant Oudkerkslavisch dolŭ ‘kuil’ (Russisch dol ‘dal’); Welsh dōl ‘(beboste) laagte’; < pie. *dhel-, dholo- ‘welving (zowel hol als bol)’ (IEW 245-246). Zie ook → del 1, → doel.
dalen ww. ‘omlaag gaan, minder worden’. Mnl. hi daelde ‘hij ging naar beneden’ [1285; CG II, Rijmb.], wasset water of dalet neder ‘stijgt het water of daalt het’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], dalen (hi daelt zijn hooft) ‘doen dalen, zinken’ [ca. 1400; MNW]; nnl. dalen ‘afnemen (in sterkte), minder worden’ [1787; WNT trapsgewijs]. Afleiding van dal. Het werkwoord komt alleen voor in het Nederlandse en Nederduitse taalgebied (mnd. dalen). Het Fries heeft dale wrsch. ontleend aan het Nederlands; Fries delgean ‘dalen’ is een samenstelling van del ‘neer, naar beneden’ en gean ‘gaan’, en is dus geen equivalent.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dalen* [omlaag gaan] {1285} afgeleid van dal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dalen ww., mnl. mnd. dālen is afgeleid van dal; vgl. uitdrukkingen als mnl. to dāle, os. te dāle, mhd. ze tal, ofr. to dele, got. dalaþ ‘omlaag, naar beneden’, evenals osl. dolu.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dalen ono.w., Mnl. id., denom. van dal: z. berge (te).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

daole (ww.) dalen, omlaag gaan; Vreugmiddelnederlands daelen <1285>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dalen, te dale = naar ’t dal, benedenwaarts gaan. Vgl. ’t Mnl.: „Hi liet hem (= zich) neder te dale metten (= met den) strome driven”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dalen ‘omlaag gaan’ -> Fries dale ‘omlaag gaan’; Deens dale ‘omlaag gaan, achteruit gaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dale ‘omlaag gaan’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dalen* omlaag gaan 1285 [CG Rijmb.]

Hosted by Meertens Instituut