Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dajak - (inheemse bevolking van Borneo)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

Dajak2 [volkerennaam]. De te vroeg aan de wetenschap ontrukte Robidé van der Aa, wie niets ontsnapte van hetgeen op zijn lievelingsvakken betrekking had, brengt in zijn uitgave van Bocks Reis in Oost- en Zuid-Borneo (p. 177) in herinnering dat volgens Von de Wall ‘de Bonoa’s, een Dajaksche stam aan den Boengan, zijtak van den Mahakkam, [...] de bewoners van het grensgebergte Dajaks noemen, hetgeen bovenlander, bergbewoner beteekent, dus hetzelfde als Beadjoe of Ngadjoe, van adjoe, Poelopetaksch boven, hooger op de rivier.’ Hiermee strookt vrijwel wat Crawfurd reeds vroeger van de naam zegt: ‘It is a word used by the Malays as a generic term for all the wild races of Sumatra and Celebes, but more especially of Borneo, and seems to be equivalent with them to the European word savage.’

Behoudens de onzekerheid tot welk Maleis of Borneoos dialect dajak moet gerekend worden, is de zaak duidelijk genoeg. Let men erop dat in de Maleis-Polynesische talen dikwijls een k (Maleis q) als sluitletter wordt toegevoegd, bijvoorbeeld Javaans manik voor Sanskriet mani; Maleis tabiq voor tabe; adiq voor adi; dátoeq voor dátoe, enz., dan moet men, deze omstandigheid in verband brengend met bovenvermelde opgave, vanzelf tot de slotsom komen dat dajak een gewijzigde uitspraak vertegenwoordigt van een wijdverbreid woord. Wij bedoelen het Maleise daja, Madoerees dadja, Ilokaans daya, Tagalog en Bisaya laya, Pampanga laya, Makassaars en Nias raya, Boeginees radja. Het woord betekent ‘binnenland, hoger gelegen land, de streek die in tegengestelde richting ligt van de zee’. Daar de Maleis-Polynesische volken twee van hun windstreken plegen aan te duiden door de zeezijde als uitgangspunt te nemen, is het natuurlijk dat in ettelijke talen daja als naam van een windstreek is bewaard gebleven, terwijl de eigenlijke betekenis vergeten is. In het Tagalog en Bisaya is i laya ‘naar boven, het binnenland in’, in tegenstelling tot Bisaya i lauod ‘zeewaarts’; in het Nias is miraya zowel ‘opwaarts’ als ‘zuidwaarts’; in het Madoerees is dadja, in het Pampanga paralaya ‘noord’. Bij het Makassaarse raya maakt Matthes de juiste gevolgtrekking dat raya oorspronkelijk de landzijde moet betekend hebben, en dat daarvan af te leiden is de naam van de Toe-Raya’s, het Boeginese To-Radja ‘zeker bergvolk’.

De slotsom, die de lezer nu zelf wel zal maken, is dat Orang-Dajak precies hetzelfde betekent als Toe-Raya, To-Radja en, zoals Robidé van der Aa reeds scherpzinnig opmerkte, van Ngadjoe of Beadjoe. De Dajaks zijn voor de kustbewoners, die uit Maleise of vermaleiste stammen bestaan, binnenlanders, de mensen die hogerop aan de rivieren wonen, en evenals de To-Radja’s als onbeschaafde heidenen te boek staan. [K]

Dajak3 [volkerennaam]. Volgens prof. Veth heeft Robidé van der Aa in zijn uitgave van Bocks Reis in Oost- en Zuid-Borneo in herinnering gebracht dat volgens Von de Wall, de Bonoa’s, een Dajakse stam aan de Boengan, de bewoners van het grensgebergte Dajaks noemen, hetgeen ‘bovenlander, bergbewoner’ betekent, dus hetzelfde als Be-adjoe of Ng-adjoe, van adjoe, in het Poelopetaks = boven, hoger de rivier op.

Laat men de k, die in de Maleis-Polynesische talen dikwijls als sluitletter aangehecht wordt, uit Dajak weg, dan krijgt men de Maleise vorm van een wijdverbreid woord: daja, Madoerees dadja, Ilokaans daya, Tagalog laya, [...] Makassaars en Nias raya, Boeginees radja. Dit daja betekent ongeveer hetzelfde als adjoe, namelijk ‘binnenland, hoger gelegen land, de landstreek in tegengestelde richting van de zee gelegen’. Bij het Makassaars raya maakt Matthes de gevolgtrekking dat dit woord oorspronkelijk de landzijde betekend moet hebben en dat daarvan af te leiden is de naam Toe-Raya’s of Boeginees To-Radja, een bepaald bergvolk. De slotsom waartoe prof. Kern komt in de bespreking van Uit Oost en West in de Indische Gids is dat orang Dajak dus hetzelfde is als Toe-Raya of To-Radja en Be-adjoe, namelijk bergbewoner. Hiermee is de afleiding van Perelaer, als zou Dajak van dadajak ‘wankelend, waggelend lopen, komen’, tenietgedaan. [P]

Dajak1 [volkerennaam]. Met deze naam, waarvan de oorsprong zeer onzeker en betwist is, wordt de inheemse bevolking van Borneo, in tegenstelling tot de Maleise kolonisten aan de kusten, niet slechts door de Europeanen, maar ook door de Maleiers aangeduid. Crawfurd, Dictionary of the Indian islands, onder Dayak zegt: ‘It is a word used by the Malays as a generic term for all the wild races of Sumatra and Celebes, but more especially of Borneo, and seems to be equivalent with them to the European word savage.’ Doch dat het woord zich ook tot bevolkingen buiten Borneo zou uitstrekken wordt, voorzover ik weet, door geen andere getuigenissen bevestigd en is zelfs moeilijk verenigbaar met hetgeen Crawfurd zelf laat volgen, dat hem door Maleise kooplieden Dajak als de naam van een stam van noordwest-Borneo is opgegeven. Iets dergelijks komt voor in een nog onuitgegeven journaal van de heer Von de Wall, die door zijn vele tochten en onderzoekingen op Borneo bekend is. De heer Robidé van der Aa deelt in zijn uitgave van Carl Bocks Reis in Oost- en Zuid-Borneo (p. 177) mee dat volgens Von de Wall ‘de Bonoa’s, een Dajaksche stam aan den Boengan, zijtak van den Mohakkam, die van de zuidgrens van Pasir naar het meer Sembajan loopt, de bewoners van het grensgebergte Dajaks noemen, hetgeen bovenlander, bergbewoner beteekent, dus hetzelfde als Beadjoe of Ngadjoe, van adjoe, Poelopetaksch boven, hooger op de rivier.’ Het zou zeker niet vreemd zijn (vergelijk de gelijksoortige gevallen, vermeld onder Saraceen) dat zo’n naam allengs een uitgebreidere betekenis had gekregen, wat dan ook ten slotte het gevoelen van Crawfurd ten opzichte van dajak schijnt te wezen.

Nadat de etymologen lange jaren omtrent de naam Dajak in het onzekere hadden verkeerd, zonder het verder te kunnen brengen dan de hier vermelde gissing, komt eensklaps de heer Perelaer in een soort van etnografische roman, die hij onder de naam Borneo van Noord naar Zuid (Rotterdam, 1881) heeft uitgegeven, deel I, p. 149, het Nederlands publiek met een nieuwe verklaring van de naam Dajak verrassen, die zo eenvoudig en natuurlijk schijnt dat men er nauwelijks enige andere tegenwerping tegen maken kan dan de onwaarschijnlijkheid dat iets zo eenvoudigs en natuurlijks zo lang onbekend is gebleven. Vooral is het bevreemdend dat zij de heer Perelaer zelf gedurende zijn lang verblijf op Borneo ontgaan was, zoals blijkt uit een vroeger werk van zijn hand: Etnographische beschrijving der Dajaks (1870), p. 2, waar hij zegt: ‘Hoe wij Europeanen aan het woord Dajak komen, is mij niet mogelijk geweest op te sporen. Nergens op Borneo, althans in dat gedeelte van het eiland hetwelk tot onze bezittingen behoort, is dat woord te huis; het is alleen bekend in die streken, welke met ons Europeanen in aanraking gekomen zijn.’ Maar hoe is dan de heer Perelaer in 1881 het licht opgegaan, dat hem in 1870 nog ontbrak? Zeker niet, zover ik kan nagaan, door een nieuw bezoek aan Borneo, maar waarschijnlijk, zoals ook de heer Van der Aa aanneemt, door een artikel in Hardelands Dajacks-deutsches Wörterbuch, dat aldus luidt: ‘Dadajak, dajadajak, hadajak, wackelnd gehen. — Kadajadajak, immer, noch immer wackelnd gehen. — Baradajak, alle wackelnd gehen.’ Het verdient opmerking dat het de heer Hardeland niet in de gedachten schijnt te zijn gekomen de naam Dajak hieruit te verklaren.

De heer Perelaer, dit artikel uit Hardelands woordenboek, dat hij blijkbaar tot vermeerdering van de etnologische kennis die hij gedurende zijn vierjarig verblijf op Borneo (1859-1863) verkregen had, ijverig doorzocht en bestudeerd heeft, met zijn eigen herinneringen in verband brengend, heeft op de aangehaalde plaats van zijn Borneo van Zuid naar Noord misschien met wat al te veel verzekerdheid de bij hem opgekomen gissing omtrent de oorsprong van de naam Dajak in deze woorden uitgesproken: ‘Dajak is een verkorting van het woord "dadajak", dat in de taal des lands beteekent: "wankelend loopen". De benaming Dajak is dus een scheldnaam, die ook zoo opgenomen en alleen door de Europeanen gebezigd wordt. De bewoners van de benedenlanden hebben allen, op zeer weinig uitzonderingen na, kromme onderdanen en als gevolg daarvan een waggelenden gang. De oorzaak van dit gebrek is daarin gelegen, dat zij het grootste gedeelte van hun leven, met gekruiste beenen zittende, in hunne prauwen doorbrengen. Daarentegen is door het vele en aanhoudende roeien hun bovenlijf zoodanig ontwikkeld, dat het van de meesten wel tot model voor een beeldhouwer kon dienen.’

De heer Van der Aa, die enigszins spottenderwijs over deze verklaring spreekt en, niet zonder enige ironie, zegt: ‘Prof. Veth vond deze afleiding zoo waarschijnlijk, dat hij de schoone vondst onmiddellijk aan het wetenschappelijk publiek mededeelde (Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap deel V, mededelingen, p. 182) daar dit niet licht zoo iets in een roman zou zoeken,’ kon toch niet ontkennen dat ook in zijn ogen deze afleiding veel voor zich heeft. Doch er blijven enige moeilijkheden. Is zij juist, waar blijven dan de beweringen dat ook de Maleiers de naam Dajak kennen en gebruiken, dat zij die zelfs tot wilde bevolkingen buiten Borneo uitstrekken, dat de naam ‘bovenlander’ of ‘wilde’ betekent, dat hij oorspronkelijk aan bijzondere stammen, nu eens in noordwest-Borneo, dan eens in het grensgebergte van Pasir geplaatst, eigen was? Hoe is het ontstaan van al die beweringen te verklaren indien Perelaers mening de ware is? En is het niet wat vreemd dat de Europeanen de spotnaam waarmee zij de Dajaks aanduiden, ontleend hebben aan de, zeer zelden door hen beoefende taal van het volk zelf, dat mede genoemd wordt? [V]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal