Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dageraad - (aanbreken van de dag)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

dageraad zn. ‘het aanbreken van de dag’
Vroegmiddelnederlands dageraet v. (1249), dageraid (1270–1290), dagerraet (1276–1300), dagraet (1291-1300), Dagheraet als bijnaam (1293), Middelnl. dagereit (1451–1500, Holland), Nieuwnl. dageraet m. (1572), daechraet (1599), dageraad (1793). Het behoud van dage- in de standaardtaal is vanaf de 17e eeuw vrij unaniem en in zoverre opvallend, dat de verwachte ontwikkeling tot daagraad al in 1599 wordt gevonden.
Verwante vormen: Middelnederduits dagerāt, dagerait, dagerēt, dāgerōt v., Oudhoogduits tagarōt m. ‘dageraad’, tagarōta v. ‘dageraad; avondschemering’, Middelhoogduits tagerât v., Oudengels dægrēd, dægrǣd o. ‘dageraad’, Oud-IJslands dagrāð o. ‘gunstig tijdstip’. Het woord werd ook als persoonsnaam gebruikt, bijv. in Ohd. Tagarat, OS Daghared, OE Dægred, al kan die ook onafhankelijk zijn ontstaan door het frequente voorkomen van Dag- en -Raad in Oudgermaanse namen.
De overeenkomst tussen -rāt in de Middelgermaanse talen en -rēd in het Oudengels wijst op een Proto-Germaanse samenstelling van *daga- ‘dag’ en *rēdi- ‘nuttige hulp, raad’, waarvan Nederlands raad afkomstig is. Dat laatste is afgeleid van PGm. *rēdan- ‘raadgeven, helpen’ waaruit o.a. Gotisch ga-redan ‘zorgen dat iets gebeurt’. Oud-IJslands dagrāð bewaart dan blijkbaar nog de oudere betekenis ‘gunstig tijdstip’ of ‘beginpunt’ van het zn. *rēdi-, waarin de oorspronkelijke betekenis ‘in orde brengen, slagen’ van het Indo-Europese werkwoord *Hreh1-dhh1- nog doorklinkt. Het opvallende vrouwelijk geslacht van ‘dageraad’ in het Middelnederlands en Mnd. stoelt mogelijk op analogie met ‘nacht’ of ‘ochtend’. De varianten op -rōt zijn blijkbaar door analogie met de kleur ‘rood’ ontstaan. De Hollandse vorm dagereit kan een Noordhollandse ee voor aa bevatten, of naar voorbeeld van be-, gereid zijn omgevormd.
Op de wikipagina van Etymologiebank stelt Olivier van Renswoude voor om het tweede lid van de samenstelling *daga-rēdi- die we beide aannemen, te verbinden met de Indo-Europese wortel *h2redh- ‘tevoorschijn komen, voortkomen’, waar o.m. Lets radît ‘baren’, Oudkerkslavisch roditi ‘baren’, Albanees rrjedh ‘stromen’ bij kunnen horen. Een betekenis ‘dag-verschijnen’ is natuurlijk goed voorstelbaar. Probleem daarbij is wel dat die wortel tot nu toe niet in het Germaans gevonden is (in tegenstelling tot de wortel van ‘raad’), en dat een lange klinker in de wortel in ‘raad’ verwacht is (als gevolg van de Indo-Europese structuur van de wortel) terwijl dat bij ‘tevoorschijn komen’ niet het geval is: daar zou *rēdi- als gerekte ē-trap verklaard moeten worden, wat niet onmogelijk is maar toch om een extra verklaring vraagt.
Andere bestaande theorieën kunnen verworpen worden. Jan de Vries (NEW 1971) neemt aan dat het woord een afleiding van ‘dag’ was met het suffix -ōþu-, waarmee abstracta gevormd werden van werkwoorden op -ōn- of van nomina (got. wratodus ‘reis’ bij wraton ‘reizen’, manniskodus ‘menselijkheid’). Maar de klinkervariatie in -rāt, -rōt kan niet op een oorspronkelijke *-ō- worden teruggevoerd. Van Haeringen, in het Supplement uit 1936 (p. 31) bij Franck & Van Wijk’s etymologisch woordenboek uit 1912, suggereert dat de r in dageraad een aanwijzing is voor een oude r-stam van ‘dag’. Nu bestaan daar buiten het Germaans wel aanwijzingen voor, en heeft het Germaans zelf een stam *dōgera- ‘etmaal’ (Kroonen, Etym. Dict. of Proto-Germanic, 2013, p. 97) die aan die r-stam herinnert, maar daarmee zijn de lange klinkers in ‘dageraad’ niet verklaard, noch de betekenis ‘ochtendschemering’.
[Gepubliceerd op 23-11-2017 op Neerlandistiek.nl]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dageraad zn. ‘aanbreken van de dag’
Mnl. dageraet ‘id.’ [1240; Bern.].
De herkomst is onduidelijk. Wrsch. gevormd uit → dag ‘tijd dat het licht is’ met een onbekend achtervoegsel, dat in elk geval niets met het huidige rood of raad te maken heeft.
Mnd. dagerāt, -rēt, -rōt; ohd. tagarōd; oe. dægred (maar ne. daybreak); alle in de betekenis ‘aanbreken van de dag’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dageraad* [aanbreken van de dag] {dag(e)raet 1201-1250} middelnederduits dagerāt, oudengels dægrēd; van dag1 + een achtervoegsel waarvan de etymologie onbekend is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dageraad znw. m., mnl. dāgeraet, mnd. dāgerāt, dāgerēt, dāgerōt, ohd. tagarōd, oe. dægrĕd ‘dageraad’. In deze bet. alleen westgerm. vgl. echter on. dagrāð ‘gunstig tijdstip’, dat echter wel als samenstelling van de woorden dag- en rāð zal te beschouwen zijn. De wisseling der klinkers wijst op een suffix, dat dan wel -ōþu zal zijn geweest (Kluge, Stammbild. 134-135); mocht dit zo zijn, dan is de r in dageraad een aanwijzing voor de oorspr. r/n declinatie (v. Haeringen, Suppl. 31).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dageraad znw., mnl. dāg(e)raet v. Een westgerm. woord: ohd. tagarôd m., mnd. dāgerât (-rét, -rot) v.o., ags. dœgrěd o., “dageraad”. De oorsprong van het 2de lid is onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dageraad m., Mnl. dagheraet, daghereit + Mndd. dagerât, -rêt, -rôt, Ohd. tagarôt (Mhd. tagerât), Ags. dægrěd, On. dagrăd: ontled. onzeker, echter niet samenstelling met rood.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1daeraad s.nw. Ook dageraad.
1. Dagbreek. 2. Begin, voorteken van iets heilsaams.
Uit Ndl. dageraad (Mnl. dag(e)raet, ook dageroit, 'n samestelling van dage en roit 'rooi'). In bet. 1 toon Afr. rooidag ooreenkoms met lg. Mnl. samestelling.

2daeraad s.nw. Ook dageraad.
Broodkoringvariëteit.
Afleiding van daeraad (1daeraad), so genoem omdat dit vroeër as die ander broodkoringvariëteite ryp word. Die variëteit is deur vakkundiges van die Stellenbosch-Elsenburg Landboukollege ontwikkel en in 1952 op die mark geplaas.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

daeraad I: – dageraad – , “daglumier, rooidag”; mv. -rade; Ndl. dageraad (Mnl. dag(e)raet), hoofs. WGerm. wd. en herk. tweede lid onseker; kan dit verb. hou met rooi (vgl. Afr. rooidag = daeraad)?

daeraad II: – dageraadjdaw(w)eraad (ander wv. by WAT) – , mv. -raads; ben. v. versk. visse v. d. fam. Sparidae, via Ndl. dorade uit Port. en Sp. dorado (verb. m. Lat. de-auratus, “verguld” – aurum, “goud”, v. Frank TB 129-31).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dageraad ‘aanbreken van de dag’ -> Zuid-Afrikaans-Engels dageraad, daggerhead ‘zeebrasemsoort (met de kleuren van een zonsopgang)’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dageraad* aanbreken van de dag 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut