Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dagelijks - (iedere dag terugkomend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dagelijks bn. ‘iedere dag terugkomend’
Onl. dag dagauuelikis ‘dag na dag, dagelijks’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. dageliks [1236; CG I, 26], dagelics bw. ‘altijd, voortdurend’, dageleke bw. ‘dagelijks’ [1240; Bern.]; daghelicse bn. ‘dagelijkse’ [1270; CG I,185].
Gevormd uit → dag en een oude vorm (h)wilīk van → welk, zoals misschien ook in → elk. Vergelijkbaar is de Oudhoogduitse vorm (allero manno) uuelih ‘elk (van alle mannen)’. De dubbelvorm onl. dag dagauuelikis (vertaling van Latijn die cotidie) is nog steeds te vinden in BN dagdagelijks ‘dagelijks, elke dag opnieuw’ en Duits tagtäglich ‘iedere dag’. Al in het Middelnederlands werd het tweede element volksetymologisch geïdentificeerd met de achtervoegsels → -lijk en → -s.
Os. daga-hwilīk (mnd. dagelik, dagelikes); ohd. tagalīh < (allero tago) gihwilīh, tagelihhes (mhd. tagelich); ofri. degelik, deikes < ouder *dega-ēlkes (ouder nfri. nog deiliks [WFT]); oe. dæglic; on. dagligr.
Lit.: H.K.J. Cowan (1958) ‘Ned. elk en dagelijks’, in: TNTL 76, 129-131

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dagelijks* [iedere dag] {oudnederlands daga-uulikes 901-1000, middelnederlands daghelijx} middelhoogduits tageliches, afgeleid van dagelijk, middelnederduits dagelike, van dag1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dagelijks bw., mnl. daghelijc(s) bnw. en daghelijc(s), daghelīke bijw. bevat het germ. *ga-līka- ‘elk’ waarvoor zie: iegelijk. — Men moet uitgaan van bijw. uitdrukkingen als ohd. allero tago gihwilīh ‘op iedere dag’, waaruit dan het bijw. tagolīhhes, tagalīhhin ontstaan is. In het eng. heeft men een gelijksoortige ontwikkeling gehad: uit *daga-gi-hwām ‘op elke dag’, ontstond oe. dæg-hwām en daarvan het bnw. dæghwāmlīc > dæglīc > ne. daily.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

-lijk III suffix. Een algemeen germ. suffix -lîka-: mnl. -lijc (-lic, -lec), onfr. -lîk, ohd. -lîh (nhd. -lich), os. -lîk, ofri. -lī̆k, ags. -lîc (eng. -ly), on. -lîkr (bijv. hvîlîkr; zie welk; gewoner is -ligr), got. -leiks. Het oudste type vertegenwoordigen woorden als got. samaleiks “gelijk, hetzelfde uiterlijk hebbend”; het zijn bahuvrihi-composita met *lîka- (= lijk II) als tweede lid. In alle oudgerm. diall. is echter -lîka- reeds suffix. Vgl. gelijk en misselijk. Over een formeel met gelijk overeenstemmend, maar syntactisch anders op te vatten woord (= “elk”) vgl. bij iegelijk. Dit *ӡa-lîka- “elk” steekt ook in dagelijks, mnl. dāghelijc(s) bnw., dāghelijc(s), dāghelîke bijw., dat ook in andere talen voorkomt. De bijwoordelijke functie is de oudste: den oorspr. vorm vertoont ohd. (allero) tago gilîh(hes) (nhd. täglich). Evenzoo jaarlijks, maandelijks enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dagelijks ‘iedere dag’ -> Fries daagliks ‘iedere dag’; Indonesisch dahél ‘dagelijks werk; dagloner’; Negerhollands daglik, daglig ‘iedere dag’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dagelijks* iedere dag 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut