Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dag - (etmaal, tijd dat het licht is)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dag zn. ‘etmaal, tijd dat het licht is’
Onl. dag, genitief dages, dagis, datief dage, mv. daga, datief dagon: al deze vormen 10e eeuw [W.Ps.]; mnl. dag, dach.
Os. dag; ohd. tag (nhd. Tag); ofri. , dei (nfri. dei); oe. dæg (ne. day); on. dagr (nzw. dag); got. dags; < pgm. *dagaz ‘dag’, naast zwak *dagan, in het Oudhoogduits en Oudengels vertegenwoordigd in samenstellingen als ohd. fīratago ‘feestdag’, oe. ān-daga ‘termijn’. Het staat ablautend naast *dōg-, waaruit on. doegn, doegr ‘half etmaal’ en got. fidur-dōgs ‘vier dagen’. Wrsch. met grondbetekenis ‘tijd dat de zon heet is’.
Verwant met onder meer Latijn favilla ‘as’, fovēre ‘warmen’; Sanskrit dāha- ‘brand, hitte’; Oudpruisisch dagis ‘zomer’; Oudiers daig ‘vuur’; Albanees djek ‘brandt’; en misschien Grieks téphrā ‘as’; bij de wortel pie. *dhegwh- ‘branden’ (IEW 240). Ook wordt wel verwantschap gesuggereerd, o.a. door Bjorvand/Lindeman, met Sanskrit áhar, áhas ‘dag’.
dagen 2 ww. ‘dag worden’. Mnl. dagen ‘id.’ [1240; Bern.]. Afleiding van dag.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dag1* [etmaal, tijd dat het licht is] {oudnederlands dag 901-1000, middelnederlands dach} oudsaksisch dag, oudhoogduits tag, oudfries d(e)i, oudengels dæg, oudnoors dagr, gotisch dags; van een stam met de betekenis ‘branden’, vgl. latijn fovēre [koesteren], grieks tephra [as], oudindisch dahati [hij verbrandt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dag 1 znw. m., mnl. dach, onfrank., os. dag, ohd. tag, ofri. dei, , oe. dæg (ne. day), on. dagr, got. dags. — Idg. wt. *dhegh, dheg̯̯u̯h ‘branden’: lat. favilla ‘as’, fovēre ‘warmen’, gr. téphra ‘as’, oi. dahāmi ‘brand’, dāha- ‘brand, hitte’, ni-dāgha ‘hitte, zomer’, osl. žegą ‘branden’, opr. dagis ‘zomer’, oiers daig ‘vuur’, alb. djek ‘brandt’ (IEW 240).

Het woord behoort tot de groep van de es/os-stammen, blijkens de oudnoorse plur. dægr en de got. PN Dagestheus. Daarnaast staat on. dægn ‘half etmaal’. Daarom heeft men aangenomen, dat hier een heteroclytische declinatie van r- en n- stammen zou kunnen worden aangenomen, die Benveniste, Origines 11 vergelijkt met de wisseling van oi. ahar: ahan ‘dag’ (in dit geval zou men de got. PN als niet verwant moeten beschouwen of tenminste als ontsporing uit een ouder decl.-systeem). Deze overeenstemming in declinatie-systeem in woorden van dezelfde bet. heeft er toe geleid germ. *daga- inderdaad op een idg. *aĝher: aĝhes terug te voeren (IEW 7); dan zou het germ. woord onder invloed gekomen zijn van een germ. *dagwaz ‘warm jaargetijde’ (vgl. lit. dāgas ‘zomerhitte’). Deze verklaring is weinig waarschijnlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dag znw., mnl. dach (dagh) m. = onfr. dag, ohd. (nhd.) tag, os. dag, ofri. dei, , ags. dæg (eng. day), on. dagr, got. dags m. “dag”, germ. *ðaʒa-. Of verwant met oi. áhar, av. gen. mv. asnąm “dag” (vgl. oi dîrghá-: lit. ílgas “lang”) òf (als de germ. ʒ uit idg. ɡh verklaard mag worden) met lit. dãgas, dagà “oogsttijd”, oi. dâha- “hitte”, ni-dâghá- “hitte, zomer” bij den wortel *dheɡh- “branden”, waarvan het ww. kymr. deifio “zengen, branden”, lit. degù, alb. djek, oi. dáhâmi “ik brand”, verder o.a. ier. daig “vuur”, lat. favilla “asch” (en foveo; zie bij bad), gr. theptanós haptómenos (Hes.), russ. dëgotˈ “teer”. In welke betrekking obg. žeɡą, žĭɡą “ik brand” tot idg. dheɡh- staat, is onzeker. Het Germ. bezit ook een vŗddhi-formatie bij dag: got fidur-dogs “tetartaĩos”, ags. dôɡor o. “dag”, on. dø̂gr o. “half etmaal”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dag. Bij de vṛddhi-formaties, aan het eind van het art. genoemd, kan gevoegd worden on. dø̂gn o. (= dø̂gr) ‘half etmaal’ (de. døgn, zw. dygn). Met ags. dôgor o. ‘dag’ wijst deze vorm op een oud heteroclitisch -r-/-n-paradigma, dat ook in oi. áhar naast áhan, av. gen. mv. asna̧m ‘dag’ voortleeft. Daarom is het in ieder geval gewenst het verband met deze arische woorden vast te houden. De germ. beginklank zou dan kunnen worden verklaard door een oude contaminatie aan te nemen met een woord uit de groep van *dhegh- ‘branden’ (zo WP. I, 849 vlg.). Met deze hypothese worden ook eventuele bezwaren tegen germ ʒ < idg. gh weggenomen. Wellicht bewaart dageraad een herinnering aan de -r-stam. Anderen willen er een overblijfsel van een oude -es-/-os-stam in zien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dag 1 m. (tijdverloop), Mnl. dach, Onfra. dag + Ohd. tag (Mhd. en Nhd. id.), Ags. dæg (Eng. day), Ofri. , dei, On. dagr (Zw. en De. dag), Go. dags + Skr. nidāghas = zomer, Zend daz, Lit. dãgas = oogsttijd: Idg. wrt. dhagh = branden; geen verband met Skr. dinam, Lat. dies, Oslav. dini = dag.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

daag (zn.) dag; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) daag, Aajdnederlands dag <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Dag der Vrij’heden (de), feestdag op 1 juli ter herdenking van de emancipatie* (2) op 1 juli 1863. Keti-koti* (op z’n Surinaams*) of Dag der Vrijheden (sinds kort ook Dag van Nationale Eenheid) is uitbundiger gevierd dan de twee voorgaande jaren (WS 10-7-1982). - Syn. ook Emancipatiedag*.

Dag van de Republiek’ (de), feestdag op 25 november ter herdenking van de onafhankelijkheid op 25 november 1975. Zie Enc.Sur. 205. - Etym.: Toen Suriname uit het Koninkrijk trad, werd het een republiek. - Syn. Brasadé*, Onafhankelijkheidsdag*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dag (bij de -- leven) (vert. van Latijn in diem vivere); (op zijn oude --) (vert. van Frans sur ses vieux jours); (pluk de --) (vert. van Latijn carpe diem); (een zwarte --) (vert. van Latijn dies ater)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De dag des Heren, de zevende of, volgens christelijke opvatting, eerste dag van de week; zondag.

In de bijbel wordt over de zevende dag gesproken als een door God ingestelde heilige dag, waarop men, zoals God na de schepping, van het gedane werk mocht en moest uitrusten. Deze dag wordt in de bijbel als sabbat aangeduid. Waarschijnlijk omdat de zevende dag bij de christenen een aan God en godsdienst gewijde dag werd, ontstond, buiten de bijbelvertalingen, de benaming dag des Heren voor deze rustdag. Wij treffen die betekenis vanaf de zeventiende eeuw aan. In het oudere Nederlands wordt, in overeenstemming met het bijbels taalgebruik, met dag des Heeren de dag van het laatste oordeel bedoeld, zoals in het navolgende vers in de Liesveldtbijbel (1526), Handelingen 2:20: 'Dye sonne sal haer verkeeren in duisternisse, ende die mane in bloet, eer dan den grooten ende openbaerliken dach des heeren comt'. Tot in de negentiende eeuw was dit de gewone betekenis, nu is zij niet meer algemeen bekend.

De dag des Heeren is aangebroken, noen heeft zojuist geslagen. Sinds ik om half negen wakker werd heb ik mij aan het huishouden gewijd. Een passie. (M. Bril, Voordewind, 1990, p. 173)
Werkzaamheden die een van de eigenaren van de bruine vloot aan de Handelskade op de dag des Heren had verricht. (Meppeler Courant, juni 1994)

De dag des oordeels, de dag waarop God op aarde komt om over de mensen te oordelen.
De jongste dag, hetzelfde als dag des oordeels.

Waar de profeten, vaak in dreigende bewoordingen, over de dag des Heren spreken, bedienen de evangelie- en brievenschrijvers zich van de verbinding de dag des oordeels: 'Van elk ijdel woord, dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels' (Matteüs 12:36, NBG-vertaling). Getuige de volgende woordspeling is het gevoel van dreiging geen noodzakelijk element meer: 'Boodschappen doe ik altijd op de dag des voordeels' (Wieteke van Dort in The Late Late Lienshow, Vara-televisie 1981 (herhaling uitgezonden op 11-10-1998)). Ook andere recente citaten zijn ironisch van toon, zoals het volgende, met de gelegenheidsbetekenis 'dag waarop een gerechtelijke uitspraak plaatsvindt': 'Ze zit in de gevangenis: De dag des oordeels is uitgesteld tot 24 november' (Journaal, nov. 1993).
Ook jongste dag is van bijbelse oorsprong, maar komt niet in alle vertalingen voor. De Statenvertaling (1637) heeft ten uitersten dage in de desbetreffende verzen in het Johannes-evangelie.

Liesveldtbijbel (1526), 2 Petrus 2:9. Die heere weet die godsalighe, wt der temtacien verlossen, maer die ongerechtige behouden totten daghe des oordeels om te pijnigen.
Eén daad van menselijkheid heb ik tenminste verricht. Ik ben nooit getrouwd en ik heb me niet voortgeplant. Dat wordt een plus, op de dag des oordeels. (S. Carmiggelt, Vliegen vangen, 1968 (1955), p. 27)
Klok die de dag des oordeels waarschijnlijk overleeft, dus met levenslange garantie. (Playboy, sept. 1995)
Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 196, 19-20. Ende Martha antwerdde hem ende seide: Jc weet wale dat hi op herstaen sal in der opherstannessen ten ijoncsten dage.
Slechts onverhoord / Blijft één wens [...]: / Dat hem nog eens een jongeman doorboort / Die hem gevuld houdt -- tot de jongste dag. (G. Komrij, Alle gedichten tot gisteren, 1994 (De oude generaal, 1990), p. 433)
De toen geldende wet op de lijkbezorging bepaalde dat het wachten op de jongste dag maximaal dertig jaar mocht duren. (Trouw, 31-12-1999, p. 16)

Oud en der dagen zat, ook: der dagen zat, oud, moe, in het besef dat zijn leven voltooid is.
Oude van dagen, bejaarde.

'En Job stierf, oud en der dagen zat', zo besluit het boek Job (42:17) in de formulering van de Statenvertaling (1637). Job had een veelbewogen leven achter de rug. Na het herstel uit de periode van ziekte en armoede leefde hij nog honderdveertig jaar in welstand, omringd door vier geslachten kinderen en kleinkinderen, en hij had dus alle reden om 'verzadigd van het leven te zijn' in de woorden van de NBV. Het archaïsche zat is in bovengenoemde uitdrukking behouden.
Het is niet ongewoon dag of dagen te zeggen als men 'tijd' bedoelt. Het is dan ook niet zeker of oud(e) van dagen exclusief bijbels is, al vermeldt Job 32:4 (Statenvertaling) van Job en enkele van zijn vrienden dat zij 'ouder van dagen' waren dan Elihu. In het moderne Nederlands is alleen de gesubstantiveerde vorm oude van dagen bekend.

Statenvertaling (1637), Job 42:17. Ende Job sterf, out, ende der dagen sat.
Zo'n ouwe man die, der dagen zat, alleen nog in zichzelf staat te wauwelen. (NRC, sept. 1994)
[Na een zware wandeling:] 'Voel je je ook zo oud?' 'Ja, en der dagen zat.' (Gehoord, jaren '90)
Hij [de zojuist gestorven kat] was zo mooi, ofschoon der dagen zat / Expressierijk, grootorig, goedgebouwd. (Weelde en feestgedruis. De beste gedichten van drs. P, 1986 (Louis is dood, de fiere Cyprioot, 1980), p. 30)
Statenvertaling (1637), Job 32:4. Doch Elihu hadde gewacht op Job in $t spreken; om datse [Job en de andere vrienden] ouder van dagen waren, dan hy.
Sloveense douaniers gaven kort daarop toestemming, de grenspost te passeren. Vooral voor de kinderen en de ouden van dagen kwam de mededeling uit Nederland geen uur te vroeg. (Journaal, juli 1992)

Zijn dagen, uren e.d. zijn geteld, hij heeft niet lang meer te leven; aan een bepaalde situatie zal binnenkort voor hem een einde komen.

De uitdrukking zijn dagen zijn geteld is mogelijk gebaseerd op enkele plaatsen in de Psalmen; naast Psalmen 90:12 nog de berijming van Psalmen 39:3: 'Mijn dagen zijn bij u geteld; Ai! leer mij, hoe vergankelijk ik zij'. De bijbelse betekenis van het tellen van dagen is, dat men elke dag waardevol vindt en er zorgvuldig mee omgaat, of in de berijming van Psalmen 39, dat God het lot van de mens en de duur van zijn leven beter kent dan hijzelf. Nu wordt de uitdrukking alleen nog in de voltooide tijd gebezigd in de beperktere en meer negatieve betekenis dat de levensduur van iemand of iets eindig is, en dan in de concrete context van een naderende dood of einde, of van een andere dreigende gebeurtenis.

Statenvertaling (1637), Psalmen 90:12. Leert ons alsoo onse dagen tellen, dat wy een wijs herte bekomen.
Je dagen waren niet geteld. / De dood is het gedicht dat niets bedoelt. (E. Leeflang, Bezoek aan het vrachtschip. Gedichten, 1985, p. 46)
De tijd dringt. De dagen van de Deense, Duitse en Nederlandse Waddenministers zijn geteld. Op 29 en 30 november aanstaande gaat het gezamenlijke, trilaterale beleid ter bescherming van de Waddenzee met de billen bloot. (Waddenbulletin, 1994, nr. 4)
In tegenstelling tot de mens is een armoedig bestaan in erbarmelijke omstandigheden voor de johannesbroodboom van levensbelang: geef hem een leventje met vocht en voedsel in overvloed en zijn dagen zijn geteld. (De Standaard, nov. 1995)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

dag, daggen. In de Middeleeuwen komt de verbasterde uitroep ghans dagen ‘bij de dag, het daglicht van God’ voor. De formule is verwant met bij het licht van God. De woordgroep biden daghe wordt vaak beschouwd als een verkorte vorm van bij Gods daghe, een veronderstelling die ondersteund wordt door de varianten guds daggen ‘bij de dagen die God heeft geschapen’ en dor deze van den goeden daghe. Men kon zweren bij alles wat God geschapen heeft. Als men dat te pas en te onpas deed, werd zo’n eed tot vloek en uitroep. → gud.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dag van den Idg. wt. dhegh, Skr. dah = branden, dus de tijd van den zonnebrand, ’t zonnelicht. (In sommige talen bet. ons dag dan ook zomer.) Alleen de lichte dag heette bij de Germ. dag, het geheele etmaal noemde men nacht, zoodat men nu bijv. in ’t Duitsch nog spreekt van Weihnachten: de gewijde nachten, bedoeld wordt: de gewijde dagen.Tacitus zegt van de Germanen o.a.: „Niet naar dagen tellen zij, maar naar nachten rekenen zij.” Vgl. nog ’t Eng. fortnight (verkorting van fourteen nights) = twee weken (letterlijk: 14 nachten). Zie Avond en Vastenavond.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dag ‘groet’ -> Fries dach ‘groet’; Indonesisch dadah!, dah! ‘groet’; Ambons-Maleis dag ‘groet’; Javaans dhah ‘groet’; Kupang-Maleis da ‘groet’; Negerhollands dag ‘groet’; Berbice-Nederlands daki ‘groet’.

dag ‘etmaal; tijd tussen zonsopkomst en zonsondergang’ -> Frans dialect † ce dacq ‘vandaag’; Ambons-Maleis dag ‘etmaal; tijd tussen zonsopkomst en zonsondergang’; Creools-Portugees (Batavia) daak ‘etmaal; tijd tussen zonsopkomst en zonsondergang’; Negerhollands dag, dak ‘etmaal; tijd tussen zonsopkomst en zonsondergang’; Berbice-Nederlands daka ‘etmaal; tijd tussen zonsopkomst en zonsondergang’; Saramakkaans dáka ‘etmaal; tijd tussen zonsopkomst en zonsondergang’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † dak ‘etmaal; tijd tussen zonsopkomst en zonsondergang’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

ja. Het woord ja noemt men een tussenwerpsel: een woord dat op zichzelf een uitroepende zin vormt en daardoor buiten de grammaticale structuur van de zin staat. Iedere taal kent tussenwerpsels. Men maakt verschil tussen communicatieve tussenwerpels, dat zijn tussenwerpsels die een spreker en een hoorder veronderstellen, zoals ja, en emotionele tussenwerpsels, waarbij geen hoorder aanwezig hoeft te zijn, zoals ach of och.

Hoewel je zou denken dat iedere taal zijn eigen tussenwerpsels heeft, zijn ook deze woorden door het Nederlands uitgeleend aan andere talen. Dat zal onder andere komen door de grote frequentie van dergelijke woordjes in de spreektaal, waar ze vaak als stopwoordjes gebruikt worden, en door de behoefte aan variatie in het taalgebruik. Zo zijn bijvoorbeeld de communicatieve tussenwerpsels ja als uitroep ter bevestiging en nee als uitroep ter ontkenning uitgeleend. Het Indonesisch heeft 'ja' geleend als ya, bijvoorbeeld als antwoord op een vraag, ook in combinaties zoals ya, tentu saja 'ja natuurlijk'. Voor de verlengde vorm die in het Nederlands klinkt als jaaaaah, gebruikt het Indonesisch yah. Het Indonesisch heeft tevens de Nederlandse verbinding ja goed geleend: yahud betekent 'heel goed, fantastisch!' Behalve het Nederlandse leenwoord ya kent het Indonesisch ook eigen, erop lijkende woorden voor 'ja', namelijk de nadrukkelijke vormen iya, ia. Het feit dat deze woorden zo op de Nederlandse vorm lijken, zal de inburgering van het Nederlandse woord vergemakkelijkt hebben.

Voor 'nee' gebruikt het Indonesisch een eigen woord, namelijk tidak. Daarentegen heeft het Sranantongo het Nederlandse nee(n) geleend in de vorm ènèn. Voor 'ja' gebruikt men in het Sranantongo ai (teruggaand op het Engelse aye). Ook het Nederlandse ja is geleend als ya, dat echter meer de betekenis heeft van 'inderdaad', vergelijk ya no? 'echt waar?, o ja?' en ya baya 'ja hoor'. In het Papiaments tot slot is het normale woord voor 'ja' sí, sè, uit het Spaans. In informeel taalgebruik bezigt men echter het Nederlandse leenwoord ya. Voor 'nee' kent het Papiaments volgens de woordenboeken alleen , uit het Spaans.

Een aparte groep onder de communicatieve tussenwerpsels vormen de groeten, en ook daarvan zijn er enkele door andere talen overgenomen uit het Nederlands. Zo is de groet dag in het Indonesisch ontleend als dah. Ook komt voor dah-dah 'dag dag'. Daarnaast zijn goedendag, goedemorgen, goedemiddag en goedenavond letterlijk uit het Nederlands vertaald als selamat siang, selamat pagi, selamat soré en selamat malam. Hallo is in het Indonesisch geleend als halo. Hiervan is de prachtige afleiding halo-halo gemaakt, gebruikt voor een 'microfoon'. Het werkwoord berhalo-halo betekent 'aan de telefoon praten, telefoneren'. In het Papiaments is eveneens hallo geleend - haló wordt echter niet gebruikt als groet, maar in de zin van 'hallo bij een telefoongesprek'.

Het Nederlands heeft ook emotionele tussenwerpsels, waarbij geen hoorder aanwezig hoeft te zijn, uitgeleend, zie wacharme(n). Een speciale subcategorie hiervan vormen de vloeken, bastaardvloeken en krachttermen, waarvan zijn uitgeleend jeminee en verdomme.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dag* etmaal, tijd dat het licht is 0901-1000 [WPs]

dag* tussenwerpsel: groet 1859 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

392. De jongste dag,

d.i. de dag des oordeels, het jongste gericht, waarin jongst de beteekenis heeft van laatst; vgl. jongstleden en het mnl. ten joncsten, ten slotte, ten laatste, dat ook met weglating van male of daghe voorkomt in den zin van den oordeelsdag; fr. le jour du jugement dernier; eng. the doomsday. Zie het Mnl. Wdb. III, 1071; Ndl. Wdb. XI, 88; hd. der jüngste Tag; eng. the last day.

480. Alle dagen een draadje is een hemdsmouw in het jaar,

d.w.z. door gestadigen arbeid kan men ten slotte veel verrichten. In de middeleeuwen: een draeyken sdaechs is een hemdemauken sjaersMnl. Wdb. II, 374.; zie verder Bank. I, 152; Tuinman I, 126. Vgl. ook Wander I, 913: alle Tage ein Faden macht des Jahrs ein Hemde; Harrebomée I, 112 a; De Cock1, 223; Ndl. Wdb. VI, 542 en Antw. Idiot. 372: Alle dagen 'en draadje gesponnen is alle jaren 'en hemdsmouw gewonnen. De Engelschman zegt: a pin a day is a groat a year.

1664. In de dagen van olim,

ook wel met het toevoegsel: toen de kippetjes keurslijven droegen, d.w.z. vroeger, eertijds, voor langen tijd, in groetjes tijd, in het jaar nul. Olim is een Latijnsch bijwoord, dat de beteekenis had van vroeger; ook in het hd. zu Olims Zeiten (da die Leute nicht klug waren). Vgl. V. Janus, 18: Wanneer hij nog die zelfde kunde als in de dagen van Olim bezit.

68. Aken en Keulen zijn niet op éen dag gebouwd,

d.w.z. ‘groote ondernemingen worden niet in korten tijd volbracht; een groot werk eischt tijd en geduld. Waarschuwing om zich in eene zaak van grooten omvang niet te overhaasten, of wel, om niet te veel op eens te wenschen’; Ndl. Wdb. II, 12. Vgl. Goedthals, 41: Colen en Aken en waren op eenen dach niet ghemaeckt. Rome ne fut pas faicte en un iour. Item. Bon oeuvre quiert du temps la longitude. Later is Aken weggelaten en is alleen sprake van Keulen of soms ook alleen van Rome, zooals in de Prov. Comm. 152: Coelen en wart nyet gemaect op eenen dach, met het latijn: sancta die nulla fuit ipsa colonia facta; non fuit in sola bona luce colonia facta en daaronder de variant: Deventher en wart niet ghemact op eenen dach. Bij Campen, 37, luidt zij: Collen wordt op enen dach niet gesticht; ook vindt men aldaar Romen wordt op een Jaer niet ghebout, evenals bij Bebel 463: Roma non fuit una die condita. Bij Brederoo, III, 329: Keulen en Aken sijn op gheen dach volbracht. Idinau, 156: Ceulen en Aken en waren op eenen dagh niet gemaeckt, met het onderschrift:

 Men seght in t'ghemeyn: Geulen en Aken
 En waren op eenen dagh niet ghemaeckt;
 So hoopt-men eens ten eynde te gheraken,
 Behoudens men t' werck niet te vroegh en staeckt.
 Alle beste werck naer patientie smaeckt.

In de Adagia, bl. 9 vinden wij eveneens: Ceulen en Aken, sijn op een dagh niet gebauwt, alta die sola non est exstructa Corinthus. In Braband en Limburg zegt men: Gent en Brugge zijn op eenen dag niet gebouwd (zie Schuermans, 74); in het Land v. Waas: Brugge of Brussel en Gent zijn op eenen dag niet gebouwd (Joos, 176), wat men in de 16de eeuw ook uitdrukte door: Men bout niet op enen dach huysen en kercken.Zie het Tafelspel v. Meester Kackadoris, anno 1596. Vgl. verder Suringar op Bebel, bl. 508; Harrebomée III, 106 en Taalgids VII, 209, waar nog wordt medegedeeld, dat men in Groningen ook zegt: Hij zou Keulen en Aken verzetten, om zijn doel te bereiken, d.i. alle mogelijke, uiterste pogingen, bijna het bovenmenschelijke daartoe aanwenden (evenzoo in Friesland). Hiernaast Keulen en Aken beloven (in C. Wildsch. III, 345); Keulen en Aken wijsmaken (in C. Wildsch. IV, 192). Ook in het Friesch: Aken en Keulen binne net yn ien dei boud. In het Fransch zegt men: Paris ou Rome ne fut pas fait(e) en un jour; hd. Rom ist nicht in einem Tage erbaut worden; eng. Rome (or Holy-Rood) was not built in a day. Zie verder Wander I, 695; III, 245.

391. Dag.

Het znw. dag had in de middeleeuwen de beteekenis van daglicht, zonnelicht; vandaar spreekwijzen als helder, klaar als de dag, aan den dag komen (aan het licht komen, ontdekt worden), brengen; voor den dag komen (in het licht verschijnen), aan den dag leggen (toonen, laten zien), brengen; geenen dag in iets zien, er geen licht in zien (Schuerm. Bijv. 59 b; Teirl. 248; Antw. Idiot. 527Vgl. Leeuwendalers, Inhoudt: Toen zagh men den dagh door het orakel; zie Ndl. Wdb. III, 2215.. Een andere beteekenis, nl. die van tijd, tijdruimte, tijdperk, heeft dag in de uitdrukkingen op den ouden dag (in den ouderdom) en in op zijne dagen komen (oud worden); het mnl. te sinen dagen comen, mondig, meerderjarig worden. Zie het Ndl. Wdb. III, 2213-2224; VIII, 1429.

393. Voor dag en dauw,

d.w.z. voor het aanbreken van den dag, zeer vroeg. De uitdr. dateert uit de 16de eeuw en is o.a. aangetroffen bij Spieghel, Hertspieghel, 133: Voor dagh voor douw; doch ook in omgekeerde volgorde vinden wij voor dou voor daech (Jan v. HoutTijdschrift XXIII, 230.; evenzoo bij Brederoo II, 211, 1693; III, 470, 13; P.C. Hooft, Ged. I, 285: Ghy Prins, dien zoete slaep nocht zachte plujm kon houwen, waert op voor dauw voor dagh; ook voor den dou en daegh (Krul, V.U. 143) en voor dag, voor zon (Oudaen, 2, 316). Later bij Van Effen, Spect. IV, 221: Voor dag en voor dauw. Het znw. dag heeft hier de beteekenis van het daglicht, zonnelicht, zooals in het mnl. onder den dach, d.i. onder de zon, hier op aarde; lat. in hac luce en het bij Kiliaen vermelde veurdagh, tempus antelucanum, zoodat de geheele uitdr. eigenlijk wil zeggen vóór het opgaan der zon en de vorming van den dauw, waarbij men denke aan de meening, dat de dauw tegelijk met het opkomen der zon neerviel (Chomel, I, 162), zooals is op te maken uit Alex. X, 1307 var.: Nu eest comen ter dagheraet so dattie dou te vallene bestaetFranck leest: ‘t.v. en bestaat’ overeenkomstig het lat. sed nec tunc in ortu roscidus aurorae super herbam decidit humor.; Vondel, Adam in Ball. 179: De dou die 's morgens valt van boven. Of moet gedacht worden aan het optrekken van den dauw? Vgl. Chomel, II, 938: Met het krieken van den dag, eer de Daau van 't Veld is. Het is ten slotte ook mogelijk, dat we in ‘dauw’ niets anders dan een alliteerend toevoegsel moeten zien.

In het hd. vor Tag und Tau; vor Tau und Tag; nd. vör Dau un Dag opstoan (Eckart, 521). In Vlaanderen naast veur dag en dauw ook voor hen (hin) en hane opstaan, ook verbasterd tot vor henneverhane (De Bo); in Groningen veur dag en doage, veur dag en dau; fri.: foar dei en foar dage.

602. Een gat in den dag (of morgen) slapen,

d.w.z. een goed deel van den morgen slapende doorbrengen en zoodoende zijn dag of morgen verkorten; laat opstaan; 16de eeuw: van tswarte int witte slapen; Kil.: hoogh in den dagh slaepen. Bij Plantijn: Een gat inden dach slapen, dormir la grasse matinee; in multam lucem dormire vel stertere, vel in multam diem. Vgl. verder Huygens, Trijntje Cornelis, 970: 'k Magh ick noôr heuys toe goôn en slôpen e goech gat in desen dagh; Doedyns, Merc. 2, 527.: Zy sliepen dan een gat in den dag dat 'er een hond uit geslobbert zou hebbenZie Ndl. Wdb. III, 2214.; Antonidus II, 285: Terwijl ze een lustig gat in d'achtermiddag ronken; Halma, 149: Een gat in den dag slapen, dormir la grasse matinée; Tuinman I, 304; nal. 17; Harreb. I, 115; Waasch Idiot. 230 a. Met deze zegswijze is te vergelijken het vlaamsche een gat in den nacht zitten, 's avonds laat wegblijven (tot diep in den nacht) en eenen pit of put in den nacht wegblijven; zie Schuermans, 138; De Bo, 904 en vgl. het fri.: in gat yn 'e dei sliepe, in gat yn 'e nacht opsitte.

1006. Jaar en dag,

d.i. langen tijd; ook na jaar en dag, na langen tijd; hd. seit Jahr und Tag; eng. in a year and a day (Prick2, 52). De bet. is ontleend aan het vroegere middeleeuwsche rechtswezen, waarbij allerlei rechtstoestanden konden beklijven en allerlei rechten hunne kracht verloren door verloop van jaar en dag, d.i. éen jaar en éen dag, een vrij jaar (waarbij de dag van aanvang niet meetelt). In later tijd (bij ons sedert het laatst van de twaalfde eeuw) verstaat men er onder een jaar, zes weken en soms nog drie dagen; vgl. Kiliaen: Jaer ende dach, annus et sex septimanae: et (veteri Saxonum more) tres insuper dies. Zie Mededeelingen v.d. Maatschappij v. Nederl. Ltk. 1897-98, bl. 114-115; Ndl. Wdb. VII, 39 en het Mnl. Wdb. II, 11; III, 985.

2540. De waterlanders komen voor den dag,

d.w.z. de tranen komen voor den dag; hij begint te schreien. Bij Sartorius III, 3, 16: De water-landers op den dijck laten komen, de iis, quibus lachrymae oborirentur in oculos; Winschooten, 349: De Waaterlanders quaamen op den dijk: dat is oneigendlijk, de traanen quaamen in de oogen; Mergh, 18: de waterlanders staan op den dijk; Sewel, 941: De waterlanders kwamen op den dyk (metaph.), tears came in the eyes; Harrebomée I, 113; B.B. 121; Nw. School, II, 213. Vgl. afrik. toe kom die waterlanders. Naast deze uitdr. citeert Tuinman I, 309 ook: ‘'t Water komt op den dijk, de traanen komen in de oogen’, dat o.a. voorkomt bij Huygens I, 65 en 't Daghet XII, 144; in het Waasch Idiot. 174 a: de dijken loopen over, men weent; ook De Bo, 440 en Antw. Idiot. 1420: het is hoog water, van iemand die op het punt staat te weenen. Volgens De Bo, 1373 en Antw. Idiot. 1422 is waterlander voor traan ook in Zuid-Nederland bekend; in het Friesch: de wetterlânners kamen dêr ek by. Het is eig. de naam van de bewoners der moerassige, laaggelegen gedeelten van Holland, Broek en WaterlandVgl. Plantijn: Waterlander, qui demeure aux terres aquatiques, vir aquarius. en vandaar bij overdracht gebruikt voor traan. Zie no. 1168 en vgl. voor een dergelijk woordspel: de Friezen zijn in 't land, het begint te vriezen (Harreb. LXXVgl. voor een soortelijk gezegde Waasch Idiot. 529 b: de polderboeren kijken over de dijken, gezegd als er een onweder uit het Noorden komt of als er 's avonds donderkoppen in het Noorden te zien zijn.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut