Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dadelijk - (aanstonds, meteen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dadelijk bn. ‘aanstonds, meteen’
Vnnl. daadlik ‘werkelijk, metterdaad’ [eind 16e eeuw; WNT waarheid], datelijk ‘meteen, onmiddellijk’ [1596; WNT uitnemend], daedelick ‘id.’ [1608; WNT transporteeren].
Afleiding met het achtervoegsel → -lijk van het zn.daad.
Mnd. dātlike, dēdelik ‘inderdaad’.
De betekenis ‘metterdaad, werkelijk’ vindt men nog bij Wolff en Deken: meer verslonst en versleten, meer vermoeid, en verouderd, dan wel daadlijk ziek [1793; WNT versleten] maar wordt na de 18e eeuw niet meer aangetroffen.

EWN: dadelijk bn. 'aanstonds, meteen' (eind 16e eeuw)
ANTEDATERING: woerdelick ofte dadelick met vuysten 'met woorden of metterdaad met vuisten' [1564; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dadelijk* [aanstonds] {1564} afgeleid van daad; in de 16e eeuw is de betekenis nog ‘metterdaad’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dadelijk bn., bij Kiliaen nog in de betekenis ‘metterdaad’, vgl. mnd. dātlik, dēdelik (het laatste ‘inderdaad’). — Afl. van daad.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dadelijk bijw. bnw. Bij Kil. beteekent dit woord nog alleen “metterdaad”; in deze bet. ook in een zeeuwschen tekst van 1564. Evenzoo ook mnd. dâtlik, dêdelik (het laatste in vraagzinnen: “heusch?”). Afl. van daad.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dadelijk bijv., afgel. van daad naar ’t model van Fr. actuel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dalek, dadelek (bijw.) aanstonds; Nuinederlands daadlik <1596>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

daak, bw.: dadelijk, gelijk. Samengetrokken uit dalek < dadelijk.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

daken 2 bw.: dadelijk, straks, zoëven; bijna. Door d-syncope < dadiken, verkort uit dadelijken.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

dadelik bw.
Onmiddellik, sonder versuim, op die oomblik.
Uit Ndl. dadelijk (1564) 'onmiddellik', 'n afleiding van daad en hou verband met die ww. doen. By Kiliaan nog in die bet. 'metterdaad' (Boshoff - Nienaber 1967). Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) in die vorm datelyck. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1803 in die vorm dedelik (Scholtz 1972).

dalk bw. Ook dalkies.
Miskien, moontlik.
Sametrekking van dadelik, met lg. uit Ndl. dadelijk. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1798 (Scholtz 1972). Die vorm dalkies wsk. uit Port. talvez 'miskien' (Leibbrandt 1882).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

da’delijk bw., straks, over een tijdje (nooit: onmiddellijk). Ga je mee? - Nee, dadelijk. - Etym.: In AN veroud. - Zie ook: straks*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dadelik: “gou, onmiddellik, terstond”; Ndl. dadelijk (by Kil nog in bet. “metterdaad” en by vRieb in vorm datelyck) afl. v. daad wat (soos Hd. tat en Eng. deed) verb. hou m. die ww. doen; v. dalk.

dalk: – dalkers (minder gew.)/dalkies – , “altemit, miskien, moontlik”, bw. met modale funk. (vgl. straks), saamgetrek uit dadelik (q.v.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dadelijk ‘aanstonds’ -> Fries daalk(s) dalik(s) ‘aanstonds’; Duits dialect dadelk, dadelik, dadeliks, dadlik ‘inderdaad, werkelijk, aanstonds’; Duits dialect dadelijks ‘aanstonds’; Petjoh dal'k ‘zo dadelijk, straks, later’; Berbice-Nederlands dalki, daliki ‘aanstonds’; Sranantongo dâlèk ‘aanstonds’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dadelijk* bijwoord van tijd: aanstonds 1626 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal