Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dadel - (vrucht van de dadelpalm (Phoenix dactylifera))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dadel zn. ‘vrucht van de dadelpalm (Phoenix dactylifera)’
Mnl. [Palma ...] hare urucht dat heeten daden ‘de vruchten ervan heten dadels’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], daden (mv.) ‘dadels’ [ca. 1350; MNW dade], dattelen (mv.) ‘id.’ [1400-50; MNW dade], dadelen (mv.) ‘id.’ [15e eeuw; MNW dade], dayen (mv.) ‘id.’ [1495; MNW dade]; vnnl. met vele dayen oft dactilen ‘met vele dadels of dadelen’ [1515; MNW dade], dadelen, daden (mv.) ‘dadels’ [1608; WNT], daeyen (mv.) ‘id.’ [1623; WNT], dadel ‘dadelpalm’ [1660; WNT reizig].
Ontleend aan Oudfrans dade, date [1342; Rey] (Nieuwfrans datte) < Provençaals datil < vulgair Latijn dactylus, datilus, datilis < Grieks dáktulos ‘vinger; dadel’ (zie → dactylus). In de betekenis ‘dadel’ is het Griekse woord wrsch. ontleend aan een semitische taal (vgl. Arabisch daqal (een collectief) ‘soort dadel’), en is het door volksetymologie samengevallen met het woord voor vinger [Frisk]. De -l in de latere Nederlandse vormen wijst op herontlening, wellicht aan Italiaans dattilo. Het Duits had ook al vormen met -l: ohd. dahtil(boum) (mhd. tahtel, datel, nhd. Dattel), mnd. dadele.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dadel [vrucht van dadelpalm] {dadele 1401-1500, dade 1287} < oudfrans datel < provençaals datil < middeleeuws latijn dactylus, datilus, datilis < grieks daktulos [vinger, dadel], in de laatste betekenis overgenomen < arabisch daqal [(collectief) een bepaalde soort dadels], vgl. hebreeuws deqel; in het gr. vielen de beide woorden samen door volksetymologie. Voor de betekenisoverdracht vgl. palm; de herkomst van daktulos [vinger] is niet bekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dadel znw. v.; een lange vingervormige dadelvrucht werd door de Grieken dáktulos ‘vinger’ genoemd; daaruit lat. dactylus, in vulgair-latijn dahtylos, dat over het ital. leidde tot ofra. dade, date, en dit werd verder overgenomen als mnl. dade en ne. date. In het ohd. vinden wij dahtilboum, mhd. tahtel. Onder invloed van ital. dattilo ontstond de vorm nhd. dattel en onder invloed daarvan nnl. dadel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dadel znw. Het Mnl. kent vooral den vorm dāde v., uit ofr. dade (naast date, nieuwfr. datte); daarnaast dattele v. uit ofr. datele; de fr. vormen uit gr.-lat. dactylus “dadel”. Dādel(e) in het Mnl. zeldzaam, is van dāde gevormd onder invloed van dattele. Wellicht mag men bij ndl. dadel, mnd. dädele v. ook aan invloed van hd. dattel, mhd. tatel(e) v. denken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dadel v., Mnl. dadele, gelijk Hgd. dattel, It. dattilo, Sp. datil, Fr. datte, uit Gr.-Lat. dactylum (-us) = 1. vinger (z. teen1), 2. dadel (om den vorm): in die bet. echter volksetym. van Ar. daqal. In ’t Mnl. zei men ook en liever dade, hetwelk gelijk Eng. date, uit Ofra. date (Nfr. datte).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

dadel s.nw.
Langwerpige, klein, soet vrug van die dadelpalm.
Uit Ndl. dadel (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm dadels.
Ndl. dadel uit Oudfrans dade, datel (12de eeu) uit Oudprovensaals datil uit Latyn dactylus, datilis uit Grieks daktulos 'vinger', so genoem omdat die vorm van die vrug aan die lit van 'n vinger herinner.
D. Dattel, Eng. date (ongeveer 1290), Fr. datte (13de eeu), It. dattero, Sp. datilera.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dadel (Oudfrans datel)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dadel ‘vrucht van dadelpalm’ -> Deens daddel ‘vrucht van dadelpalm’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors daddel ‘vrucht van dadelpalm’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds dadel ‘vrucht van dadelpalm’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins taateli ‘vrucht van dadelpalm’ ; Papiaments dader ‘dadelpalm (Phoenix dactylifera); vrucht van de zuilcactus’; Sranantongo dâdel ‘vrucht van dadelpalm’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dadel vrucht van dadelpalm 1401-1500 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut