Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

curiositeit - (merkwaardigheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

curieus bn. ‘merkwaardig’
Mnl. curioos ‘kieskeurig’ [ca. 1461; MNW]; vnnl. curieus ‘zorgvuldig’ [1553; Werve], Curieux, curieus, ‘zorgvuldig’ [1555; Luython], curieus ‘merkwaardig’ [1555; WNT], curieus ‘zorgvuldig, ambitieus’ [1574; WNT].
Ontleend aan Frans curieux ‘ijverig, bezorgd’ [ca. 1125] < Latijn cūriōsus ‘vol zorg, zorgvuldig; weetgierig’ bij het zn. cūra ‘zorg’, zie → kuur. De Middelnederlandse vindplaats gaat wrsch. direct terug op de Latijnse vorm, evenals vnnl. curyoosen ‘zonderling, vreemd’ [ca. 1534] en andere vormen met o, ook bijv. Duits kurios. Aanvankelijk betekende het woord ook ‘wetenswaardig’ (misschien mede onder invloed van Italiaans curioso). In die betekenis komt het in de 17e eeuw voor, bijv. in titels als curieuze berichten. Wrsch. sleet de betekenis af en kreeg het woord de betekenis ‘vreemd, raar’ [1843; Weiland]. Dezelfde betekenisontwikkeling vindt men overigens ook bij Frans curieux en curiosité, zodat hernieuwde ontlening of invloed van die woorden heel goed denkbaar is.
curiositeit zn. ‘zeldzaamheid, merkwaardigheid’. Vnnl. curiositeyt ‘nieuwsgierigheid’ [1568; WNT]; nnl. ‘merkwaardigheid, zeldzaamheid’ [1788; WNT]; eerder al mnl. curiosicheden ‘wereldse bekommernissen’ [ca. 1450; MNW] en vnnl. curioosheit ‘veeleisendheid’ [1500-50; MNW]. Ontleend aan Frans curiosité ‘nieuwsgierigheid, rariteit’ of direct uit middeleeuws Latijn curiositas ‘nieuwsgierigheid, rariteit’ < klassiek Latijn cūriōsitās ‘nieuwsgierigheid, wat de nieuwsgierigheid opwekt’. De oudere vormen zijn inheemse afleidingen van het bn. mnl. curioos.
Lit.: C.B. van Haeringen (1927) ‘Relict of ontlening?’, in: Ntg 21, 131-141, ook in Haeringen 1949

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

curiositeit [merkwaardigheid, nieuwsgierigheid] {1569 in de betekenis ‘praalzucht’; de betekenis ‘nieuwsgierigheid’ 1586; de betekenis ‘merkwaardigheid’ 1864} < frans curiosité [idem] < latijn curiositatem, 4e nv. van curiositas [weetgierigheid, nieuwsgierigheid], van curiosus (vgl. curieus).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

kurio s.nw.
Kuriositeit (kuriositeit 2).
Uit Eng. curio (1851).
Eng. curio is 'n verkorting van curiosity.

kuriositeit s.nw.
1. Iets wat interessant, merkwaardig of seldsaam is. 2. Interessante of ongewone kunsvoorwerp of snuistery wat as aandenking aangeskaf word.
In bet. 1 uit Ndl. curiositeit (1788). In bet. 2 uit Eng. curiosity (1645).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

curiositeit merkwaardigheid 1824 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal