Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

crisis - (beslissend keerpunt; periode van ernstige stoornis)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

In de medische betekenis al in 1485: "so en salmen die lopinge int begin niet stempen op dat crisis niet belet en wert" (Bartholomeus Engelsman, Van den proprieteyten der dinghens[1]). In meer algemene betekenis in elk geval in 1715: "De Professer, die hem had opgegeeven, zeide zyn gevoelen, gaf de Crisis (oorlof aen het woort) en deed aenstonts zelf eene beknopte redenvoering over het zelve onderwerp."[2]. Dit "oorlof aen het woort" is interessant, kennelijk acht de schrijver het woord 'crisis' een minder betamelijk woord; mij is niet duidelijk waarom, weet iemand hier iets over?

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

crisis zn. ‘beslissend keerpunt; periode van ernstige stoornis’
Vnnl. crisis ‘id.’ [na 1624; WNT voorbode]; nnl. crisis [ca. 1786; WNT scheiding].
Ontleend aan Latijn crisis ‘beslissing, beslissende ommekeer’, dat oorspr. een woord uit de vaktaal van de medicijnen was en het hoogtepunt en het beslissende stadium van een ziekte aanduidde. Het gaat terug op Grieks krísis ‘onderscheid, beslissing’, dat behoort bij het werkwoord krínein ‘onderscheiden, beslissen’ (waaruit ook → criterium, → kritiek, → hypocriet), dat Indo-Europees verwant is met het bn.rein.

EWN: crisis zn. 'beslissend keerpunt; periode van ernstige stoornis' (na 1624*)
ANTEDATERING: mnl. crisis 'doorbraak, beslissend punt' [1485; Engelsman, 134r]
{* De datering van de eerste attestatie in het EWN moet zijn 1624, en niet: na 1624.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

crisis [keerpunt] {1763} < latijn crisis [idem] < grieks krisis [onderscheid, beslissing, (gespecialiseerde betekenis) de crisis van een ziekte], van krinein [onderscheiden, beslissen, beslechten] (vgl. hypocriet).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

crisis (Latijn crisis)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

crisis. Crisis nog aan toe! wordt gebruikt als uitroep van ongeloof, ongeduld, verontwaardiging enz. en is als zodanig een eufemistische plaatsvervanger van Christus nog aan toe!

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

crisis ‘keerpunt’ -> Fries krisis ‘keerpunt’; Indonesisch krisis ‘keerpunt’; Javaans krisis ‘keerpunt’; Menadonees krisis ‘keerpunt (van een ziekte)’; Japans † kirishisu ‘keerpunt (van een ziekte)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

crisis keerpunt 1763 [WNT vertoef] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut