Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

credit - (wat verschuldigd is, wat is toevertrouwd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

credit zn. ‘wat verschuldigd is, wat is toevertrouwd’
Vnnl. in debet oft credit [1543; De Bruijn-van der Helm 1992].
Via Italiaans credito ‘het geleende, de schuld’ en Frans crédit ‘id.’ [eind 15e eeuw; Rey] ontleend aan Latijn crēdit ‘hij gelooft, vertrouwt’, ook: ‘hij vertrouwt geld toe, leent’; bij het werkwoord crēdere ‘geloven, vertrouwen’, zie → credo, of (onder invloed) van Latijn crēditum ‘wat aan iemand is toevertrouwd; lening, schuld’, zie ook → krediet.
crediteur zn. ‘schuldeiser’. Mnl. creditoor [midden 15e eeuw; MNW verbeterschap], crediter [1431; Stal.]; vnnl. crediteurs (mv.) ‘schuldeisers’ [1523; WNT Supp. afslag]. Via Italiaans creditore en Frans crediteur ‘persoon aan wie geld verschuldigd is’ [13e eeuw; PRobert] ontleend aan Latijn crēditor ‘id.’, afleiding van het werkwoord crēdere. ♦ creditcard zn. ‘betaalkaart, kaart waarmee op krediet gekocht kan worden’. Nnl. credit card [1977; Reinsma 1984]. Ontleend aan Engels credit card, een vaste verbinding van Engels credit (zie → krediet) en card (zie → kaart).

EWN: ♦ creditcard zn. 'betaalkaart, kaart waarmee op krediet gekocht kan worden' (1977)
ANTEDATERING: een credit-card van "American" [1952; Zeeuwsch dagblad (KZ) 22/3]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

credit [tegoed, schuldig] {1543} < italiaans credito < latijn credit [hij, zij vertrouwt toe, leent, geeft krediet], van credere [toevertrouwen etc.].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

credit nnl. zelfst. nmw. van lat. credit ‘hij vertrouwt (geld) toe, heeft te goed’. — Zie ook: krediet.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† credit znw. o., nnl. (Met Kil. credit ‘fides, auctoritas, gratia: creditum, pecunia credita, aes alienum, debitum’ zal wel krediet bedoeld zijn). Substantivering van lat. crêdit ‘hij vertrouwt (geld) toe, heeft te goed’.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

credit zn. Ontleend aan het Engels.
= eer, lof, erkenning.
[gebeurtenis] = kantelpunt, keerpunt, omslagpunt, koersverlegger. De kernramp van Fukushima was voor Duitsland een kantelpunt. De regering wijzigde haar koers door kernenergie zo snel mogelijk vaarwel te zeggen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

credit tegoed, schuldig 1543 [De Bruijn Tw. 10] <Italiaans

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

credit ‘tegoed’ (Latijn credit); ‘psychologisch tegoed’ (Engels credit)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal