Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

crash - (spectaculair ongeval; computerstoring)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

crash zn. ‘spectaculair ongeval; computerstoring’
Nnl. crash maken ‘verongelukken, neerstorten’ [1936; WNT Aanv.], crash ‘ongeval van een vliegtuig met veel materiële schade’ [1939; WNT Aanv.], ‘het vastlopen van een computer’ [1986; Coster 1999].
Ontleend aan Engels crash ‘vliegtuigongeval’ [1917; OED], later opnieuw betekenisontlening aan Engels crash ‘plotselinge computerstoring’ [1972; OED]. De oudste Engelse betekenis is ‘geluid van brekend materiaal’ [1580; OED], als afleiding van het werkwoord crash ‘met geweld in stukken breken’, ontwikkeld uit me. crasschen, een klanknabootsend werkwoord, te vergelijken met Engels crack, clash, Duits Krach ‘herrie; instorting’ en Nederlands → kraken.
crashen ww. ‘verongelukken (van een vliegtuig); vastlopen (van computer)’. Nnl. crashen [1994; Kolsteren]. Ontleend aan Engels crash ‘id.’.

EWN: crash zn. 'spectaculair ongeval; computerstoring' (1936)
ANTEDATERING: met een crash 'met een harde klap' (bij een botsing van een auto) [1921; Limburgs dagblad (KB) 3/11]
Later: indien het slechts één crash ('vliegtuigongeluk') voorkwam [1925; AHB 24/2] (EWN: 1936)
EWN: ♦ crashen ww. 'verongelukken (van een vliegtuig); vastlopen (van computer)' (1994)
ANTEDATERING: het was gecrasht aan de andere zijde van 't vliegveld [1938; De Indische courant (KB) 4/8]
Later: Het crashte met oorverdovend geraas (betreft vliegtuig) [1954; Nieuwe Leidsche courant (Ld) 3/7]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

crash [krach, botsing] {na 1950} < engels crash, van to crash [krakend te pletter vallen], klanknabootsend, vgl. engels clash, nederlands kraken.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

crash (Engels crash)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

crash krach, ongeval 1936 [Aanv WNT] <Engels

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

crash (← Eng.), het vastlopen van de computer, bijvoorbeeld als gevolg van systeemfouten. Men zegt ook wel dat de computer zich ophangt.

Natuurlijk was er in die eerste maand ook de eerste ‘crash’, die hoefde hij maar één keer mee te maken om te weten hoe vreselijk dat is. Midden in de nacht was ten gevolge van een beginnersfoutje opeens het toetsenbord als bevroren, ‘warm reboot’ werkte niet meer. (Haagse Post, 22/03/86)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut