Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

continu - (onafgebroken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

continu bn. ‘onafgebroken’
Vnnl. continueel [1517; MNHWS], continuelijck (bw.) ‘voortdurend’ [1518; MNHWS], continueerlick ‘gedurig’ [1574; WNT vol II], continue (bn.) ‘gedurig’ [1663; Meijer].
Ontleend aan Frans contenu [1272], continu [1306] < Latijn continuus ‘aanhoudend, samenhangend’, afleiding van het werkwoord continēre ‘bijeenhouden’, zie → container.
continueren ww. ‘voortzetten’. Mnl. in so continueert hi sine redene ‘dan vervolgt hij zijn redevoering’ [1315-35; MNW-P], ghecontinuert toten naseter audiencie ‘uitgesteld tot de volgende zitting’ [14e eeuw; Pauw]. Ontleend aan Frans continuer ‘voortzetten’ [1160] < Latijn continuāre ‘voortzetten’. ♦ continuatie zn. ‘voortzetting; uitstel (rechtskundig)’. Mnl. continuatiën (mv.) ‘nog af te handelen rechtszaken’ [1462; MNW proces]; vnnl. ‘uitstel, verlenging’ [1507; WNT verwerven I]; nnl. continuatie ‘voortzetting’ [1702; WNT vreemd]. Ontleend aan Frans continuation ‘voortzetting, vervolg’ [1331; Rey] < Latijn continuātiō ‘ononderbroken opeenvolging’.

EWN: continu bn. 'onafgebroken'; de vorm continu (1663)
ANTEDATERING: continue ende bernende corsten 'doorlopende en brandende korsten' [1565; Hippocrates, 29r]
EWN: ♦ continueren ww. 'voortzetten' (1315-35)
ANTEDATERING: Lucas continuert dese parabole ... aldus [1291-1300; VMNW]
EWN: ♦ continuatie zn. 'voortzetting; uitstel (rechtskundig)' (1462)
ANTEDATERING: continuacie 'voortzetting van een rechtszaak' [1422; MNHWS]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

continu [onafgebroken] {1926-1950} < frans continu < latijn continuus [aanhoudend, aaneensluitend], van continēre (vgl. continueren).

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Continu (Lat. contínuus = samenhangend, onafgebroken; continére = samenhouden; < → com- (1), + tenére = houden). Samenhangend, doorlopend.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Continu (< Lat. continuus = samenhangend; onmiddellijk op elkaar volgend; < continere = samenhouden). Het woord bevat etymologisch dus niets, dat de populaire opvatting „vloeiend veranderlijk” zou rechtvaardigen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

continu ‘onafgebroken’ -> Indonesisch kontinu ‘onafgebroken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

continu onafgebroken 1663 [MEY] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut