Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

contemporain - (hedendaags; uit dezelfde tijd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

contemporain bn. ‘hedendaags; uit dezelfde tijd’
Nnl. contemporain ‘hedendaags’ [1870; WNT Aanv.], ‘uit dezelfde tijd’ [1929; WNT Aanv.].
Ontleend aan Frans contemporain ‘gelijktijdig’ [ca. 1460; Rey], dat teruggaat op Latijn contemporāneus ‘in dezelfde tijd’, ook in gesubstantiveerde vorm contemporāneus ‘tijdgenoot’. Het woord is gevormd uit → com- ‘samen, met’ en het zn. tempus ‘tijd’, zie → tempo.
Het woord heeft in het Nederlands het oudere bn. contemporair ‘gelijktijdig’ [1824; Weiland] verdrongen.

EWN: contemporain bn. 'hedendaags; uit dezelfde tijd' (1870)
ANTEDATERING: eerst contemporain zn. 'tijdgenoot' [1847; Kramers, 188a]
Later: contemporaine kunstgeschiedenis [1859; Kunstkronijk, 57] (EWN: 1870)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

contemporain [hedendaags] {1832} < frans contemporain < latijn contemporaneus [gelijktijdig met], van com [samen] + tempus (2e nv. temporis) [tijd].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

kontemporêr b.nw.
1. Wat tot dieselfde tyd behoort. 2. Eietyds, hedendaags.
In bet. 1 uit Ndl. contemporair (1824). In bet. 2 uit Ndl. contemporain (1832). Die vorm contemporain is oorspr. in Afr. gebruik, maar is tans ongewoon, terwyl kontemporêr betekenisuitbreiding ondergaan het en 'hedendaags' tans die gebruiklikste betekenisonderskeiding is.
Ndl. contemporair is gevorm van Middellatyn com 'saam' en temporarius 'tydelik', met lg. van tempus 'tyd'. Ndl. contemporain uit Fr. contemporain uit Latyn contemporaneus 'gelyktydig met', met lg. gevorm van com 'saam' en tempus 'tyd'.
Eng. contemporary.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

contemporain ‘hedendaags’ -> Indonesisch kontémporér ‘hedendaags, van dezelfde tijd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

contemporain hedendaags 1832 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut