Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

constant - (onveranderlijk; onophoudelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

constant bn. ‘onveranderlijk; onophoudelijk’
Vnnl. constant ‘duurzaam’ [1503; Boutillier], ‘standvastig, bestendig’ [na 1530; WNT kersouw]; nnl. constant ‘onveranderlijk’ [1721; WNT waarheid], ‘voortdurend’ [1923; Koenen], ‘onafgebroken, onophoudelijk’ [1951; WNT Supp. attaque].
Al dan niet via Frans constant ‘standvastig, onveranderlijk’ [1265; Rey] ontleend aan Latijn cōnstāns (genitief -antis) ‘onveranderlijk, vaststaand’, teg.deelw. van cōnstāre ‘vaststaan, gelijkblijven’, gevormd uit → com- ‘samen, met’ en stāre ‘staan’, zie → staan.
constante zn. ‘onveranderlijke grootheid’. Nnl. constante ‘id. (in de natuurwetenschap)’ [1885-89; WNT constant]. Ontleend aan Frans constante [1832; Rey], de vrouwelijke vorm van constant.

EWN: constant bn. 'onveranderlijk; onophoudelijk' (1503)
ANTEDATERING: mnl. of hi was constant In sijn weerc 'of hij standvastig in zijn werk was' [1350-1400; MNW-R, Gruuthuse-handschrift]
EWN: ♦ constante zn. 'onveranderlijke grootheid' (1885-89)
ANTEDATERING: de "constante" (in een wiskundige formule) [1841; Vad.lett. 1, 61]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

constant [onveranderlijk] {1503} < frans constant < latijn constantem, 4e nv. van constans [onbeweeglijk, onveranderlijk, gelijkmatig, standvastig], eig. teg. deelw. van constare [stevig staan, onveranderd blijven], van com- [samen] + stare [staan].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

constant (Frans constant)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Constant (Lat. cónstans, gen. -ántis = staande, onbeweeglijk, onveranderlijk, gelijkvormig; = part. praes, v. constáre = stilstaan, onveranderd blijven; < com- (2), + stáre = staan, blijven staan). Standvastig, onveranderlijk. Constante = onveranderlijke grootheid.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Constant (< Lat. constans = vaststaand; part. praes. van constare = vaststaan). Niet met andere dingen mee veranderlijk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

constant ‘onveranderlijk’ -> Indonesisch konstan ‘onveranderlijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

constant onveranderlijk 1503 [Claes Tw. 11] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut