Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

conservatief - (behoudend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

conservatief bn. ‘behoudend’
Nnl. conservatief ‘behoudend’, wrsch. in zwang gebracht door Thorbecke [1840-50; WNT terugroepen]. In het Vroegnieuwnederlands bestond een zn. conservacie ‘bescherming’ [1503; Boutillier].
Ontleend aan Engels conservative ‘behoudend’, in 1830 geadopteerd als nieuwe naam voor een politieke partij in Engeland: Conservative Party (gebruikt door de politicus J.W. Croker, misschien naar het voorbeeld van het tijdschrift ‘Le Conservateur’ [1818] van de Franse schrijver F.-R. de Chateaubriand) < Laatlatijn cōnservātīvus ‘behoudend’ bij het werkwoord cōnservāre ‘handhaven, bewaren, verduurzamen’, zie → conserveren.

EWN: conservatief bn. 'behoudend' (1840-50)
ANTEDATERING: "het conservatieve commité" 'het handhavend comité'[1817; Bataviasche courant (KB) 29/11]
Later: zelfstandig gebruikt in: zoogenaamde conservatieven, of voorstanders van het oude stelsel (in Engeland) [1833; Groninger courant (KB) 5/2]; "Conservatieve" staatsmannen van Engeland [1833; AHB 20/4] (EWN: 1840-50)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

conservatief [behoudend] {1847} < engels conservative (< me. frans conservatif) of frans conservatif [idem] < middeleeuws latijn conservativus, van conservare (verl. deelw. conservatum, vgl. conserveren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

conservatief eerst laat-nnl. < ne. conservative ‘behoudend’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

conservatief bnw., eerst later-nnl. Wsch. evenals nhd. konservativ naar eng. conservative.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

conservatief ‘behoudend’ (Frans conservatif); ‘voorzichtig’ (Engels conservative)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Conservatief (Lat. conservatívus = behoudend; conserváre = bewaren, behouden; < com- (2), + serváre = bewaren, behouden). Behoudend. Conservatieve krachten zijn krachten, waarvoor de wet van het behoud van mechanisch arbeidsvermogen geldt.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Conservatief (< Lat. conservare = behouden). Een conservatief krachtenveld ontleent zijn naam aan de geldigheid van de wet van behoud van mechanisch arbeidsvermogen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

conservatief ‘behoudend’ -> Indonesisch konsérvatif ‘behoudend’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

conservatief [politiek behoudend] (1848). In 1848 breken overal in Europa revoluties uit. Een direct gevolg hiervan was een grondwetswijziging naar Engels voorbeeld, op initiatief van de liberale politicus Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872). De invloed van Engeland op de Nederlandse politieke ontwikkelingen is in deze periode zeer groot, en als gevolg daarvan worden er veel Engelse politieke termen overgenomen, zoals conservatief, debater, demonstratie (‘betoging’), imperialisme, internationaal, parlement, pragmatisme, protectionisme en quorum. De nieuwe staatsinrichting in de negentiende eeuw zorgt sowieso voor allerlei nieuwe termen in het Nederlands, zoals actief kiesrecht, passief kiesrecht, kieswet en volksvertegenwoordiging. Neerlandicus Jan te Winkel zegt hierover in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898: “Zoo heeft de meer democratische regeeringsvorm van 1848 allerlei woorden in onze spreektaal ingevoerd, die of geheel nieuw waren of te voren slechts nu en dan waren geschreven. Daar het jeugdig parlementarisme zich het zooveel oudere en meer ontwikkelde Engelsche in menig opzicht tot voorbeeld nam, kwamen er als van zelf ook Engelsche woorden in de mode, als budget (naast “begrooting”), club, en daarvan de jongere samenstelling kamerclub, meeting en speech [...]. Partijnamen ontstonden als clericaal en christelijk-historisch, behoudend en vooruitstrevend (’t laatste nog jong, zooals over het algemeen het streven zonder nader aangeduid doel), socialistisch (of sociaal, zooals het volk zegt) en radicaal, dat nu ook absoluut gebruikt kan worden, terwijl men vroeger alleen van “radicaal bedorven”, enz. kon spreken. Tamelijk nieuw zijn ook nog monsterverbond, kiesplicht, stemplicht, dienstplicht, leerplicht , schoolplicht. Tot het allernieuwste (sinds 1897 bekend) behoort ook stempotlood.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

conservatief behoudend 1847 [KKU] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut