Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

confusie - (verwarring; beschaamdheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

confusie zn. ‘verwarring; beschaamdheid’
Mnl. confusie ‘verwarring’ [1265-70; CG II, Lut.K], ‘schandelijke, smadelijke behandeling’ [1469; WNT]; vnnl. confusie ‘verwarring’ [1548; WNT weren]; nnl. ‘id.’ dat de ander wel haast in confusie gebragt wierd [1731-35; WNT].
Al dan niet via Frans confusion (eerder ook confusiun) ‘toestand van verwarring, ruïne’ [1080] ontleend aan Latijn cōnfūsiō ‘vermenging, verwarring, ontsteltenis’ bij het werkwoord cōnfundere ‘bij elkaar gieten, vermengen, verwarren, doen ontstellen’, gevormd uit → com- ‘bijeen-’ en fundere ‘gieten, smelten’, verwant met → gieten (zie ook → fusie).
confuus bn. ‘verward’. Mnl. confus ‘verward’ [1265-70; CG II, Lut.K]; vnnl. confuys ‘id.’ [1506; WNT weenen], confuus ‘verward, ontdaan’ [1513; WNT verkussen]. Wrsch. via Frans confus [1120; Rey] ontleend aan Latijn cōnfūsus ‘ongeordend, verward, verlegen’, verl.deelw. van cōnfundere.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

confusie [verwarring] {1265-1270} < frans confusion < latijn confusionem, 4e nv. van confusio [vermenging, verwarring], van confundere (verl. deelw. confusum) [samengieten, vermengen, verwarren], van com- [samen] + fundere [uitgieten].

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut