Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

confetti - (bonte papiersnippers)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

confetti zn. ‘bonte papiersnippers’
Nnl. confetti “kleine gipsbolletjes waarmede de maskers bij het carneval in Italië elkander plegen te werpen” [1847; Kramers], confetti “kleine kalkkogeltjes waarmede in carnavalstijd geworpen wordt in Italië, Spanje en Zuid-Frankrijk. Tegenwoordig veel vervangen door kleine veelkleurige papierschijfjes; ingelegde vruchten” [1899; de Beer-Laurillard].
Ontleend aan Italiaans confetti, mv. van confetto ‘bonbon’ < middeleeuws Latijn confectum, confectae ‘toebereide gesuikerde vruchten’, vgl. Duits Konfekt ‘bonbon, gebak’, Engels confectionery ‘zoetigheden, snoep’, Frans confiserie ‘suikergoed’. Zie verder → confectie, → confituren.
Oorspr. werden er bij het carnaval in Rome door narren zoetigheden zoals bonbons uitgedeeld. Later werden die vervangen door kleine suikerballetjes, kalkkogeltjes en gekleurde papiersnippers.

EWN: confetti zn. 'bonte papiersnippers' (1847)
ANTEDATERING: een half pond "confetti" ('kleine witte ballen die op suikergoed lijken') [1812; Vad.lett. 2, 599]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

confetti [papiersnippers] {1901-1925} < italiaans confetti [oorspr. gesuikerde vruchten (amandelen, pruimen)] (vgl. confituren); tijdens carnaval werd daarmee gestrooid, waarbij ze wel verpakt werden in papiertjes met teksten; ter vervanging werden nog ver in de 19e eeuw gipsen of papieren imitaties rondgestrooid → ulevel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

confetti s.nw. Ook konfetti.
Veelkleurige papiersnippers waarmee 'n bruidspaar bestrooi word.
Uit Ndl. confetti (1847).
Ndl. confetti uit It. confetti, wat oorspr. na lekkers of versuikerde vrugte verwys het wat tydens karnaval gestrooi is, en wat later deur papiernabootsings daarvan vervang is.
Eng. confetti (1815), Fr. confetti, Port. confeti, Sp. confeti.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

confetti: “papiersnippers”, intern. wd. i. d. handel; It. (ook “lekkers”) mv. v. confetto, uit Lat. conficere, “voorberei” (in Eng. sedert tweede helfte 19e eeu bek.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

confetti (Italiaans confetti, mv.)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

confetti papiersnippers 1847 [KKU] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut