Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

confectie - (in voorraad gemaakte kleding)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

confectie zn. ‘in voorraad gemaakte kleding’
Nnl. confectie ‘het verwerken van onderdelen tot kleding’ [1832; WNT snijden], ‘vrouwenkledij’ [1895; Broeckaert], ‘in voorraad gemaakte bovenkleding’ [1908; WNT knoopsgat].
Ontleend aan Frans (vêtements de) confection ‘confectiekleding’ [1854; Rey] < Latijn cōnfectiō ‘bereiding, vervaardiging’ bij het werkwoord cōnficere ‘vervaardigen’, gevormd uit → com- ‘samen, met’ en facere ‘maken’, dat verwant is met → doen (en zie ook → feit). Aanvankelijk was het een woord uit de apothekerstaal voor het toebereiden van vruchten die als medicijn dienden. Mnl. confectie ‘een (met suiker of stroop) gemaakte artsenij’ [1350-1400] is een oudere ontlening direct uit het Latijn. Het woord komt nog in de 17e eeuw voor: confectie ‘suikerwerk’ [1663; Meijer], thans nog bijv. Duits Konfekt ‘suikergoed’, Engels confectionery ‘snoepgoed’, Frans confiserie ‘suikergoed’. Hierbij behoren ook → confituren ‘gekonfijte vruchten’, het werkwoord → konfijten ‘in suiker inleggen’, en via het Italiaans met een betekenisverandering ook → confetti.

EWN: confectie zn. 'in voorraad gemaakte kleding' (1832)
ANTEDATERING: de confectie dier Kleederen 'het vervaardigen van die kledingstukken' [1797; Oprechte Haarlemse courant (KB) 1/6]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

confectie [geen maatkleding] {1898} < oudfrans confection [vervaardiging] < latijn confectio [idem], van conficere (verl. deelw. confectum) [tot stand brengen, vervaardigen], van com- [samen] + facere (in samenstellingen -ficere) [maken].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

confec’tie (de), (ook:) door een kleermaker in voorraad gemaakte kleding. Confectie en maatkleding (opschrift op de gevel van vele kleermakerijen). - Etym.: In AN is deze bet. veroud.; de bet. is nu: ‘fabrieksmatig en in massa vervaardigde kleding’; soms ook met de notie van ‘goedkoop’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

confectie ‘in massa gemaakte kleding’ -> Indonesisch konféksi, konpéksi, konvéksi ‘in massa gemaakte kleding’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

confectie in massa gemaakte kleding 1895 [Broeckaert] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut