Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

complot - (samenzwering)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

complot zn. ‘samenzwering’
Nnl. complot ‘verbond, verdrag’ [1588; Claes 1994a], ‘samenzwering’ [1602; WNT voortsaan].
Ontleend aan Frans complot ‘samenzwering’, eerder al ‘menigte, mensenmassa’ [eind 12e eeuw; Rey] (ook als werkwoord complotter ‘samenzweren’). De herkomst hiervan is onbekend, maar vanwege de oudste betekenis zou men met Rey en Kluge kunnen denken aan herkomst uit een werkwoord *compeloter, dat zou zijn gevormd uit het voorvoegsel → com- ‘samen’ en het zn. pelote ‘bal’ [12e eeuw] (zie → pelotte). Men kan daarbij denken aan woorden als Nederlands samenballen ‘zich verzamelen’.

EWN: complot zn. 'samenzwering' (1588)
ANTEDATERING: het Complot binnen de Stad Leyden (spelling niet zeker) [1587; Register, 969]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

complot [samenzwering] {1588} < oudfrans complot [menigte die dicht opeengepakt is], van com- [samen] + pelote [bal] (vgl. pelotte).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

komplot znw. v., sedert Kiliaen comploot < fra. complot (sedert de 14de eeuw ‘afspraak’), ofra. complot, complote ‘gedrang’, afgeleid van *comploter < *compeloter ‘in een kluwen samenwinden’, van pelote ‘kluwen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

komplot znw.o., sedert Kil.: comploot. Uit fr. complot, dat wel van pelote “kluwen” (lat. *pilotta) wordt afgeleid. Ook in andere talen ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

komplot zn. o.: troep, groep, gezelschap; lang ingewikkeld verhaal. Nnl. komplot betekent ‘samenzwering’, maar de oorspronkelijke betekenis van Ofr. complot is ‘samenscholing, troep’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

komplot [+]: 1. “sameswering”; 2. “aantal, groep, klomp”, lg. by Trig (lRO T DLT 244); in bet. 2 ook Ndl. komplot (WNT VII 5236-7 in bet. 2)).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

complot ‘samenzwering’ -> Indonesisch komplot ‘samenzwering; bende, gang’; Jakartaans-Maleis komplot ‘samenzwering’; Javaans komplot ‘club, bende’; Madoerees komplot ‘samenzwering’; Menadonees komplot ‘samenzwering’; Minangkabaus komplot ‘samenzwering’; Negerhollands komplot ‘samenzwering’; Papiaments kòmplòt ‘samenzwering’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

complot samenzwering 1588 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut