Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

competentie - (bevoegdheid; (taalk.) onderliggend taalvermogen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

competentie zn. ‘bevoegdheid; (taalk.) onderliggend taalvermogen’
Vnnl. competentie ‘wat passend is’ [1550-1600; WNT verblind], ‘wat behoort of toekomt’ [1617; Stall.]; nnl. Dat is van uwe competentie niet ‘dat behoort niet tot uw bevoegdheden’ [1729; Halma], competentie ‘bevoegdheid van een rechter’ [1857; WNT], competentie ‘impliciete kennis van taal’ [na 1964].
Ontleend aan Latijn competentia ‘symmetrie, analogie’, echter met betekenisverandering tot ‘bevoegdheid’ onder invloed van het bn. competēns ‘deskundig’ (waaruit ook Frans compétent ‘id.’), letterlijk ‘overeenkomend, passend’, het teg.deelw. van competere ‘overeenkomen, bijeenkomen, samen streven naar’, zie → competitie.
Van een juridische term werd competentie een algemene term met de betekenis ‘bevoegdheid, deskundigheid’. De taalkundige betekenistoepassing bestaat sinds ca. 1966 en is een vertaling van Engels competence ‘impliciete kennis van taal’, een woord dat in 1962 door de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky gelanceerd werd [gepubliceerd in 1964, OED]. Competence staat hier tegenover → performance ‘het feitelijke taalgebruik in concrete situaties’. De Nederlandse vorm wordt in de taalkunde weinig gebruikt; meestal wordt de voorkeur gegeven aan de Engelse.
competent bn. ‘deskundig, bevoegd’. Mnl. competent ‘zodanig als vereist wordt, passend’ [1450-1500; MNW verstiven], in competenten ende meerderen ghetale dan wy hier nu zijn ‘in het vereiste grotere aantal dan wij hier nu zijn’ [1488; MNW ongedekt]; vnnl. competent “redelic” [1503; Boutillier], ‘gerechtigd’ [1545; Stall.], competent ‘bevoegd’ [ca. 1600; WNT renvooi]; nnl. competent ‘bekwaam, deskundig’ [1919; WNT valuta]. Ontleend aan Frans compétent ‘deskundig’ [ca. 1240; Rey] < Latijn competēns ‘id.’.

EWN: competentie zn. 'bevoegdheid; (taalk.) onderliggend taalvermogen' (1550-1600)
ANTEDATERING: behoudens dat de visscher competentie van staelen ende schuttingen gehouden zoude zijn te settene 'behalve dat de visser wat toereikend is aan staken en waterkeringen zou moeten plaatsen (?)' [1576-79; Vierlingh, 53]
EWN: ♦
competent bn. 'deskundig, bevoegd' (1450-1500)
ANTEDATERING: niet competent 'niet toereikend' [1389; CRM14, P065p38902]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

competentie [deskundigheid, bevoegdheid] {1551-1600} < latijn competentia [passende geschiktheid, competentie] (vgl. competent).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

competentie ‘bevoegdheid’ (Latijn competentia); ‘taalvermogen’ (Engels competence)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

competentie ‘deskundigheid; bevoegdheid’ -> Indonesisch kompeténsi ‘deskundigheid; bevoegdheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

competentie deskundigheid, bevoegdheid 1551-1600 [WNT verblind] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut