Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

communie - (ontvangen van de hostie, deel van de mis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

communie zn. ‘ontvangen van de hostie, deel van de mis’
Mnl. communie te roupene ‘een bijeenkomst beleggen’ [14e eeuw; Pauw], communioen ‘communie, deel van de mis’ [1400-20; MNW-R], communy ‘id.’ [1480; MNW-P]; vnnl. communie ‘communie’ [ca. 1540; WNT vagen I], vnnl. communie ‘(huwelijks)gemeenschap’ [1545; Stall.].
Ontleend aan Frans communion [1150-1200; Rey] < Laatlatijn communio ‘(christelijke) gemeenschap, communie, geconsacreerde hostie’ < Latijn commūniō ‘gemeenschap’ bij het bn. commūnis ‘gemeenschappelijk’, zie → commune.
De algemenere betekenissen ‘bijeenkomst’ en ‘gemeenschap’ komen na de 16e eeuw niet meer voor.
communicant zn. ‘communieganger’. Vnnl. communicanten ‘deelnemers aan de communie, volwassen kerkgangers’ [1514; WNT wel V]. Ontleend aan Latijn commūnicans ‘deelnemer’, teg.deelw. van het werkwoord commūnicāre ‘deelnemen (aan)’.

EWN: ♦ communicant zn. 'communieganger' (1514)
ANTEDATERING: communicant [1494-1512; MNHWS]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

communie [het ontvangen van de hostie] {ca. 1540} < latijn communio [gemeenschap, chr. lat.: Avondmaal, eucharistie] (vgl. commune).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

communie v., uit kerklat. communio = gemeenschappelijk avondmaal. De klass. bet. is gemeenschap. Het is een afleid. van Lat. communis = gemeen (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kemunie (zn.) communie; Middelnederlands communioen <1400-1420> < Frans communion.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kommeljoen, zn.: communie. Uit D. Kommunion.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

communie (Latijn communio)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

communie ‘(rooms-katholiek) het ontvangen van de hostie’ -> Indonesisch komuni ‘(rooms-katholiek) het ontvangen van de hostie’; Javaans komuni ‘(rooms-katholiek) het ontvangen van de hostie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

communie het ontvangen van de hostie 1540 [WNT vagen I] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut