Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

combineren - (samenvoegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

combineren ww. ‘samenvoegen’
Vnnl. gecombineert (verl.deelw.) ‘samengevoegd’ [1612; WNT kavelen], combineeren ‘samenvoegen’ [1663; Meijer].
Ontleend aan Frans combiner ‘samenvoegen’ [1690], eerder al ‘twee bijeenbehorende zaken samenvoegen’ [1370; Rey] en ‘uit twee bestaan, getweeën zijn’ [eind 13e eeuw; Rey], < Latijn combīnāre ‘twee zaken samenvoegen’, gevormd uit → com- ‘samen’ en het telwoord bīnī ‘twee tegelijk, dubbel’, dat verwant is met → bis, zie ook → binair.
combinatie zn. ‘verbinding, samenvoeging’. Nnl. combinatie ‘samenvoeging’ [1748-78; WNT]. Al dan niet via Oudfrans combination [14e eeuw; Rey] (Nieuwfrans combinaison) ontleend aan Laatlatijn combinatio ‘samenvoeging’, afleiding van het Latijn combīnāre. ♦ combinatiewagen ‘auto voor zowel personen als licht vrachtvervoer; stationcar’. Nnl. combinatiewagen [1961; Dale], ook wel verkort tot combi [1974; Koenen]. Gevormd uit combinatie en → wagen 1 ‘auto’. Verouderd sinds eind 20e eeuw.

EWN: combineren ww. 'samenvoegen' (1612)
ANTEDATERING: dat deselve twee Kameren gecombineerd sullen worden (spelling niet zeker) [1581; Register, 647]
EWN: ♦ combinatie zn. 'verbinding, samenvoeging' (1748-78)
ANTEDATERING: vnnl. de combinatien van eenige Dorpen (spelling niet zeker) [1581; Register, 514]
EWN: ♦ combinatiewagen 'auto voor zowel personen als licht vrachtvervoer; stationcar' (1961)
ANTEDATERING: Een geìsoleerd geval: een combinatiewagen, d. w. z. een vrachtwagen in luxe uitvoering die binnen eenige minuten in een luxe personenwagen kan worden veranderd [1926; AHB 11/9]
Later: combinatiewagen, luxe-bestel [1950; De Telegraaf (KB) 7/9]; zogenaamde Combi's (gecombineerde bestelwagen en autobus) [1952; De Nieuwsgier (KB) 15/12] (EWN: 1974); de "combi" – bestelauto en weekender in één [1953; De Telegraaf (KB) 23/4]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

combineren [samenvoegen] {1663} < frans combiner < laat-latijn combinare [twee aan twee samenvoegen], van com- [samen] + bini [elk twee, twee tegelijk, dubbel, een paar], verwant met bis [twee maal], oudlatijn dvis [idem].

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

combineren ‘samenvoegen’ -> Indonesisch kombinir ‘samenvoegen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

combineren samenvoegen 1663 [MEY] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut