Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

codille - (dubbel verlies bij het omberen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

codille [dubbel verlies bij het omberen] {1836} < frans codille < spaans codillo [schouder, schoft van viervoeters], gebruikt in de verbinding tirar a uno al codillo [proberen iemand onderuit te halen, te gronde te richten] (tirar [omverwerpen]), lett. dus ‘iemand, eig. een dier, aan de schouder omverwerpen’; verkleiningsvorm van codo [elleboog, schoft] < latijn cubitus, cubitum [elleboog] (vgl. incubatie).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kodielje, pred.bn.: geheel verloren, die niet meer kan winnen. Uit Fr. faire codille ‘winnen na vijf slagen’ < Sp. codillo ‘schouder, schoft (van dieren)’ in een uitdr. met de bet. ‘een dier aan de schouder omverwerpen’. Verkleinwoord van codo ‘elleboog, schoft’ < Lat. cubitus, cubitum ‘elleboog’ > Fr. coude.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1084. Kapot.

In de uitdr. kapot zijn, maken, stuk, dood zijn, maken; zich kapot lachen (vgl. fri. ik laeitsje my stikken); kapot gaan, stuk gaan, doodgaan, die in de 17de eeuw voorkomen (zie Gew. Weuw. II, 24 en Sewel, 378) is kapot ontleend aan het fr. capot, een term uit het piquetspel. Faire capot beteekent alle slagen maken; être capot, geen enkelen slag maken en faire quelqu'un capot, iemand geen enkelen slag doen winnen. Zoo lezen we bij Focquenbroch I, 17:

Indien wij dit affront verdraagen,
Riep Minas, als een halve zot,
Zo zie ik ons in korte dagen,
Al t' zamen repiek en kapot.

Brieven van B. Wolff, 132: Wy zyn geworden tot een wildernis, och Heere! en wy zyn heel capot; ook bl. 174: Wel mag het mensch zeggen dat zy capot geraakt was. Zie Dozy, Oosterlingen, 48; Hatzfeld, 350Hatzfeld meent dat capot ontleend is aan de uitdr. faire capot, dat evenals capoter in het zeewezen beteekent onderstboven vallen, voorover kantelen, van een schip gezegd, welk capoter eene afleiding zou zijn van cap. voorsteven. Dozy wijst op het Spaansch capote en dar capote, eene uitdr. in het piketspel, die in het begin der 17de eeuw in Spanje gewoon was.; Ndl. Wdb. VII, 1520; Teirl. Barg. 31: iemand kapot branden, iemand doodschieten; Schuermans, 221; Waasch Idiot. 326 a; Antw. Idiot. 2236; Rutten, 106 a; Teirl. 109; Claes, 102: kapot maken (doen), de zaak bederven; en vgl. ook het hd. en nd. kaput sein, gehen, machen. In Groningen, Friesland en eldersM.A.v. Weel, Het Dialect van West-Voorne, 110. bet. kepot ook ontsteld, ziek; Ten Doornk. Koolm. II, 174; Molem, 531; Falkl. VI, 38: Ze schreide niet, ze was kapot. In Kl. Brab. beteekent kapot alleen stuk, behalve in de uitdr. iemand kapot maken, d.i. iemand vermoorden. In de Kempen is kapot zijn, gevaarlijk ziek, dood. Zie no. 180 en vgl. codille zijn, verloren, gesjochten zijn, ontleend aan 't omberspel.

1207. Codille,

d.i. in het kaartspel, bijv. het omberen, de dubbele inzet of boete, wanneer de speler minder slagen haalt dan de tegenspelers en dus reddeloos verloren heeft, ‘weg’ is; vandaar iets codille zijn, iets onherroepelijk kwijt zijn (Ndl. Wdb. III, 2058). Vgl. no. 1084.(Aanv.) Codille, fr. codille, is ontleend aan het Spaansch codillo.)

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut