Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

clown - (grappenmaker, hansworst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

clown zn. ‘grappenmaker, hansworst’
Nnl. de onovertreffelijke grappen van den clown ‘... van de pias, grappenmaker’ [1840; WNT stok], de clown van het cirque ‘de hansworst, pias van het circus’ [1840; WNT namaken].
Ontleend aan Engels clown ‘grappenmaker, pias’ [1600; OED], een woord van onzekere herkomst. Wrsch. is het hetzelfde woord als clowne ‘boer, lomperik, onnozele hals’ [1567; OED], ouder cloyne [1563; OED], dat wrsch. verwant is met vnnl. kloen ‘lummel, onnozele hals’ [1672; WNT kloen] (dat volgens OED in 1766 zelfs voorkomt als vertaling van Engels clown: “plompe boer, kinkel, kloen”), en met Nederlands → kluns. Zeer onwrsch. is herkomst uit het Franse zn. colon ‘kolonist, boer’ < Latijn colōnus ‘boer’, zie → kolonie.
Lit.: F. v.d. Knip (1988) ‘De etymologie van klúnje’, in: S. Dijk e.a. Wurdfoarried en wurdgrammatica, Leeuwarden/Ljouwert

EWN: clown zn. 'grappenmaker, hansworst' (1840)
ANTEDATERING: zijne talenten als "clown" of "komiek" [1833; Utrechtsche courant (KB) 15/7]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

clown [grappenmaker] {1847} < engels clown; etymologie onzeker, mogelijk verwant met nederlands kloen, van mensen gezegd in diverse opvattingen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

clown znw. m., in de 19de eeuw uit de eng. circustaal overgenomen; het woord clown verdrong sedert 1831 het oudere woord bajazzo; het woord stamt uit fra. colon ‘kolonist’ < lat. colōnus ‘boer’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

clojn (zn.) clown; Nuinederlands clown <1840> < Ingels clown.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

clown: iemand die zich belachelijk gedraagt; hansworst*; boerenkinkel*; paljas*. Eigenlijk: de spraakmaker in het circus, de kermis en het variété. Volgens Van Dale sedert ca. 1847. De herkomst is onzeker. Sommige lexicografen denken aan het Latijnse woord colonus (boer).

’t Is net een clown! zei er een en anderen vonden hem een hansworst, een pias, een Jan Klaassen. (A.C.C. de Vletter, Paljas, 1902)
Zouden die twee clowns, Van Agt en Wiegel, ooit wel eens een blik op zichzelf hebben geslagen? (NRC Handelsblad, 27/11/1999)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

clown (Engels clown)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

clown grappenmaker 1847 [KKU] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut