Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

civiel - (burgerlijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

civiel bn. ‘burgerlijk’
Mnl. civille zaken ‘niet criminele zaken’ [1431; Stall.], In allen saken crimineel ende civil ‘in alle criminele en civiele zaken’ [1470; MNW aennopende]; vnnl. civiel “een sake die bloet noch lijf en roert” (‘een (rechts)zaak die noch bloed noch leven aangaat (d.w.z. die materiële dingen betreft en waarop het strafrecht niet van toepassing is)’) [1503; Boutillier], civiel “borgherlijck” [1553; Werve].
Ontleend aan Frans civil [1290; Rey] < Latijn cīvīlis ‘van de burger, staats-’, een afleiding van het zn. cīvis ‘burger’, verwant met → huwen.
Civiel kwam ook in de betekenis ‘schappelijk, billijk’ voor, alleen in de uitdrukking civiele prijs, bijv. op eenen civylen prys [1633; WNT], eerder al vnnl. te zeer vile pryse [1578-79; Stall.]. Dit is een volksetymologische verbastering van de Franse uitdrukking a vil prix ‘goedkoop, voor een lage prijs’, met het bn. vil < Latijn vīlis ‘goedkoop; algemeen, waardeloos’.
civiliseren ww. ‘beschaven’. Vnnl. civiliseren [1585; Stall.]; nnl. civiliseeren ‘beschaving bijbrengen’ [1847; WNT Aanv.]. Ontleend aan Frans civiliser ‘id.’ [1568; Rey], afleiding van het bn. civil. ♦ civiliteit zn. ‘hoffelijkheid’. Vnnl. welvoughende civiliteit ende ghehoorzameit ‘gepaste beleefdheid en gehoorzaamheid’ [1562-92; MNW wouter], civiliteyt ‘hoffelijkheid’ [1606; Stall. I, 309]. Ontleend aan Frans civilité ‘id.’ [ca. 1370; Rey] < Latijn cīvīlitās ‘id.’, een afleiding bij cīvis ‘burger’.
Lit.: Debrabandere 2000, 37-39

EWN: ♦ civiliteit zn. 'hoffelijkheid' (1562-92)
ANTEDATERING: civiliteyt [1531; MNHWS]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

civiel [burgerlijk] {civil 1467-1490} < frans civil < latijn civilis [burger-, de burger passend, gematigd, bescheiden, burgerlijk tegenover militair], van civis [burger].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

civiel (Frans civil)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

civiel ‘burgerlijk’ -> Indonesisch sipil ‘burgerlijk’; Jakartaans-Maleis sipil ‘niet-militair’; Javaans sipil ‘burgerlijk; van weinig betekenis’; Madoerees sipīl, sifel ‘burgerlijk’; Sasaks sipil ‘civiele rechtszaak’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

civiel burgerlijk 1467-1490 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut