Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

cipier - (gevangenbewaarder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

cipier zn. ‘gevangenbewaarder’
Mnl. cipier, chepier ‘gevangenbewaarder’ [MNHW]; vnnl. cipier ‘id.’ [16e eeuw; MNW steenwaerden], cypier [1503-16; WNT zwaard I], cippier [1599; Kil.].
Ontleend aan Oudfrans cep(i)er ‘id.’ [tot 16e eeuw], een afleiding van het zn. cep ‘boei, strafblok’ [voor 1100; Rey] (Nieuwfrans ‘blok; hout van de wijnstok’) < Latijn cippus ‘houten of stenen paal, grenspaal, grafzuil, schanspaal’, een woord van onduidelijke herkomst.
Reeds in het Oudnederlands bestond het woord kip ‘boei’, in de samenstelling fuotkip ‘voetboei’ [10e eeuw; W.Ps.], mnl. Du heefs minen voet in enen kip ghedaen ‘gij hebt mijn voet in een boei gedaan’ [1460-62; MNW-P]. Het is niet wrsch. dat dit woord direct op Latijn cippus teruggaat: gezien de k- zou het een zeer vroege ontlening moeten zijn, waarvoor bewijzen in de andere Germaanse talen ontbreken. MNW denkt aan een variant van → knip ‘val’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

cipier [gevangenbewaarder] {1552} < oudfrans chepier, cipier, van cep [keten, gevangenis] < middeleeuws latijn cippus, seppe [blok (straftuig), gevangenisstraf], verwant met latijn scipio [staf].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

cipier znw. m., mnl. cipier, chepier < ofra. cipier, cepier, chepier, dat zelf afgeleid is van ofra. cep ‘keten, gevangenis’ < lat. cippus ‘spitse zuil’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

cipier znw., mnl. cipier, chepier m. Uit ofr. cipier, cepier, chepier “cipier” (van ofr. cep “keten, gevangenis” < lat. cippus).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

cipier m., uit Ofra. cipier, cepier, van Mlat. cipparium (-ius), een afleid. van Lat. cippum (Fr. cep) = boomstam, strafblok. verwant met scipio = staf.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

sipier s.nw.
Tronkbewaarder.
Uit Ndl. cipier (al Mnl.).
Ndl. cipier uit Oudfrans chepier, cipier, met lg. van cep 'ketting, gevangenis' uit Middeleeuse Latyn cippus, seppe 'blok (swaar houtstraftuig), gevangenisstraf'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

cipier (Oudfrans cipier)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

cipier ‘gevangenbewaarder’ -> Indonesisch sepir, sipir ‘gevangenbewaarder’; Ambons-Maleis sipir ‘gevangenbewaarder’; Atjehnees sipé ‘gevangenbewaarder’; Jakartaans-Maleis sipir ‘gevangenbewaarder’; Javaans sepir ‘gevangenbewaarder’; Kupang-Maleis sipir ‘gevangenbewaarder’; Madoerees sēppīr ‘gevangenis’; Makassaars sapîri ‘gevangenbewaarder’; Menadonees sipir ‘gevangenbewaarder’; Sasaks sĕpir, sipir ‘gevangenbewaarder’; Soendanees sipir ‘gevangenbewaarder’; Ternataans-Maleis sipir ‘gevangenbewaarder’; Creools-Portugees (Ceylon) sápier, saper ‘gevangenbewaarder’; Singalees sipiri-geya, sipiri-gē ‘gevangenis (lett. huis van de bewaarder)’; Sranantongo sipir ‘gevangenbewaarder’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

cipier gevangenbewaarder 1552 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut