Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

cimbaal - (klankbekken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

cimbaal zn. ‘klankbekken’
Mnl. cymble ‘slaginstrument’ [1265-70; CG II, Lut.K], cymbalen (mv.) ‘klokjes, belletjes’ [1340-60; MNW-P], i simbele dat clinct ‘een klinkende cymbaal’ [1348; MNW-P]; vnnl. Een Cimbel oft schelle [1542; Dasypodius].
De oudere vorm op -(e)le is een ontlening aan Oudfrans cymbles (mv.) ‘klankbekkens’ [ca. 1120; Rey] < Latijn cymbalum < Grieks kúmbalon ‘(in bijbelse taal) cimbaal’, verkleinwoord van kúmbē ‘bekken, schaal’. De vorm op -aal is ontleend aan Frans cymbale, ouder cimbale ‘klankbekken’ [1154-73; Rey], een aan het Latijn aangepaste vorm die in de plaats trad van het oudere cymbles.
Mnd. simbalum, sim(b)ele; ohd. zimbala [8e eeuw] (nhd. Zimbel); nfri. simbaal; oe. cimbal (ne. cymbal).
Grieks kúmbē heeft geen duidelijke verwanten en is wrsch. afkomstig uit een niet-Indo-Europees substraat.
Het woord heeft door de eeuwen heen verschillende muziekinstrumenten aangeduid: tot in de Middeleeuwen een klokje, later ook een hakkebord. Voor de bekkens die tegen elkaar geslagen werden, werd de meervoudsvorm gebruikt. Zie ook → cembalo en → klavecimbel.
Lit.: L. de Grauwe (1984) ‘Middelnederlands santori(e)/santoer: een oosterse naam voor een oosters muziekinstrument’, in: Feestbundel M. Gysseling I (= Naamkunde 16) Leuven/Amsterdam, 63-81

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

cimbaal [klankbekken] {simbale [klokje] ca. 1300} < frans cymbale < latijn cymbalum [in de Middeleeuwen bel om de monniken naar de refter te roepen] < grieks kumbalon [cimbaal], van kumbè [holte van een schip, beker].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

cimbaal v., uit Fr. cymbale, van Lat. cymbalum. Gr. kúmbalon, een afleid. van kúmbē = schotel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

simbaal s.nw.
1. Twee pieringvormige metaalskywe wat teen mekaar, of een so 'n skyf wat met 'n tromstok, in 'n orkes geslaan word. 2. Orrelregister met 'n besonder skerp geluid.
Uit Ndl. cimbaal (al Mnl.).
Ndl. cimbaal uit Fr. cymbale uit Latyn cymbalum uit Grieks kumbalon 'simbaal', met lg. van kumbe 'holte van 'n beker'.
D. Zimbel, Eng. cymbal, It. cembalo, Port. címbalo, Sp. címbalo.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

cimbaal’ (het, cimbalen), (ook:) bekken waarvan er twee tegen elkaar worden geslagen, in gebruik bij harmonie- en fanfarekorpsen. - Etym.: In AN wordt c. in deze bet. haast niet meer gebr.; het is in Ned. wel het normale woord voor de vaste cimbalen van een drumstel of slagwerksectie. - Syn. marscimbaal*, (mars)simbal*. - Zie ook: bekken*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

cimbaal (Frans cymbale)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

cimbaal slaginstrument 1451-1500 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal