Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

cijns - (belasting)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

cijns zn. ‘belasting’
Mnl. cens, czins ‘belasting, schatting’ [1240; Bern.], chins ende paght ‘belasting en pacht’ [1267; CG I, 96], sens ‘pacht’ [1271; CG I, 192], tseins ‘pacht, cijns’ [1274; CG I, 277], cijns ‘pacht’ [1277; CG I, 373], seins ‘belasting’ [1299; CG I, 2669], sijnse (mv.) ‘belastingpenningen’ [1299; CG I, 2708].
Ontleend aan Frans cens ‘pacht’ [ca. 1190; Rey] < Laatlatijn census ‘pacht’, eerder al ‘belasting’, klassiek Latijn cēnsus ‘schatting, taxatie, registratie’, afgeleid van cēnsēre ‘schatten, taxeren’, zie → censuur. Zie ook → accijns.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

cijns [schatting, belasting] {cijns, cens 1253} < latijn census [schatting van het vermogen] (vgl. censureren).

tijns [cijns] {tijns 1280-1287} heeft dezelfde herkomst als cijns.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

cijns znw. m., mnl. tsens, tsins, tsijs (en andere spellingen) ‘schatting, belasting’, evenals ohd. zins < lat. cēnsus ‘schatting’. De vorm tins in os. ofri. vertoont een aanpassing van hd. zins aan het nederduits; of mnl. tins daarentegen op de invloed van een rom. dialect terug te voeren zou zijn (FW 102) is niet zeker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

cijns znw., mnl. tsens, tsins, tseins, tsijs, ook met c-, ch-, s-, m. “schatting, belasting”. Evenals ohd. zins m. (nhd. zins) “id.” van lat. census “schatting”. Os. ofri. mnl. tins m. “id.” kan worden opgevat als een ontl. uit het Hd. met analogische anlautvervorming naar andere woorden met ndd. ndl. t: hd. ts (z). Veeleer echter komt tins direct uit het Rom., met substitutie van voor bij de ontleening; of uit een rom. dial. vorm met .

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

cijns m., Mnl. id., uit Lat. census = schatting, volkstelling, van censere = oordeelen.

tijns m., ouder Ndl. id., Os. tins, gelijk Ags. tins, uit Ohd. zins (Mhd. en Nhd. id.), van Lat. censum (-us) = cijns (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

syns II: belasting, heffing, skatting; Ndl. cijns (Mnl. cijns), soos Hd. zins, ontln. aan Lat. census, “registrasie, skatting; aangeslane bedrag”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

cijns (Latijn census)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Cijns, mnl. cijns, uit het lat. census, schatting, belasting, van een ww. censeo, oordeelen, schatten. Zooals bij accijns vermeld is, had het woord invloed op den vorm en de bet. van dat woord, en is het zelf somtijds daardoor in een gewijzigde bet. gebruikt. Nu is in N.-Ned. het woord cijns in zijn eigenlijke bet., evenals de samenstellingen cijnsbaar, cijnsplichtig e.a., alleen nog maar als historische term in gebruik; doch in overdrachtelijke bet., en dan meest dichterlijk, vindt men ze nog veel, b.v. iemand den cijns zijner hoogachting brengen, enz.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

cijns schatting, belasting 1253 [CG I1, 46] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut