Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

cider - (appelwijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

cider zn. ‘appelwijn’
Mnl. sicera ‘appeldrank’ [1240; Bern.], Een tonne of en vat pommade of siders ‘een ton of een vat appelwijn of cider’ [1252; MNW pomade], Hine dranc noit citer no wijn ‘hij dronk nooit cider of wijn’ [1340-60; MNW-R], Sider es ghemaect van appelen [1350-1400; MNW-P].
De vormen met -d- zijn ontleend aan Oudfrans sidre ‘appeldrank’ [1130-40; Rey] (Nieuwfrans cidre), ouder sizre ‘id.’ [1120; Rey] < christelijk Latijn sicera, cisera ‘gefermenteerde drank’ en Grieks síkera ‘id.’, die beide een weergave zijn van het Hebreeuwse woord šēkār ‘sterke drank’ (zie → sikker) in het Oude Testament. De oudste Middelnederlandse vorm, met -c-, gaat direct op het christelijk Latijn terug.
Het verschijnen van de -d- in sidre is wrsch. via een uitspraak met /dz/ gelopen; de oudste Franse attestatie sizre wijst ook in die richting.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

cider [drank uit gegist vruchtensap] {sider 1351-1400} < frans cidre, oudfrans sidre, met een vreemde overgang van c naar d < laat-latijn sicera, scicera, cisar, cizer(a) [cider] < grieks sikera (in de Septuagint) < hebreeuws šekhār [sterkedrank], van het ww. šākhar [dronken zijn], vgl. akkadisch sikru [bier] (vgl. sjikker).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

cider m., uit Fr. cidre, van Lat. sicera. Gr. síkera, Hebr. šekâr = sterken drank.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

sider s.nw.
Drank gemaak van gegiste appel- of peersap.
Uit Ndl. cider (Mnl. sidere).
Eng. cider (1315), Fr. cidre (13de eeu).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

siter (0), zn. m.: limonade. Door betekenisverschuiving < cider < Fr. cidre.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sider: ook bek. as appelwyn; Ndl. (16e eeu) cider uit Fr. cidre en/of uit Eng. cider (in S.A. misk. uit Eng.), Hd. cider, It. cidro/sidro, Sp. cidro, almal hou verb. m. Ll. sicera, Gr. sikera, uit Hebr. shēkār/sēχar, “st. drank uit vrugte en heuning” (ww. sāχar, “jou dronk drink”).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

cider (Frans cidre)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

cider drank uit gegist vruchtensap 1351-1400 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal