Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

christenheid - (het christelijk geloof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

christen zn. ‘belijder van een christelijke godsdienst’
Onl. cristinen (mv.) ‘christenen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. kersten ‘christen’ [1220-40; CG II, Aiol], kerstijn (zn. en bn.) ‘christen’ en ‘christelijk, christen-’ [1285; CG II, Rijmb.], cristinen (mv.) ‘christenen’ [1276-1300; CG II, Lut.A]; vnnl. christen [1539; MNW-R].
Ontleend aan christelijk Latijn christinus naast (met ander achtervoegsel) christianus, afgeleid van christus < Grieks khrīstós ‘de gezalfde’, het gesubstantiveerde verl.deelw. van khríein zalven, als leenvertaling van Hebreeuws Masjiah ‘gezalfde; Messias’. De Middelnederlandse vormen kersten en kerstijn vertonen r-metathese, net als de nu nog bestaande woorden kerstenen ‘dopen, christelijk maken’ en kerstmis, zie → kerst. Kersten en kerstijn zijn onder invloed van of door hernieuwde ontlening aan het Latijn verdwenen.
Os. kristin (bn.); ohd. christāni (nhd. Christ); ofri. kristen, kersten (ook bn.); oe. cristen (ook bn.) (ne. Christian); on. kristinn (bn.) (nzw. kristen).
Het Latijnse achtervoegsel -iānus is nog herkenbaar in Oudfrans crestien [12e eeuw] (Nieuwfrans chrétien) en in de voornaam Christiaan; in de Germaanse talen is het bij de ontlening op verschillende wijzen aangepast.
christelijk bn. ‘volgens het christendom’. Mnl. kirstenleke ‘christelijke’ [1240; Bern.], die kerstenliken name dreget ‘die een christelijke naam draagt’ [1265-70; CG II, Lut.K], kerstinlik ‘christelijk’ [1285; CG II, Rijmb.], met kersteliker trouwen ‘met christelijke trouw’ [1296; CG I, 2315], tot cristeliken dinghen ‘tot christelijk handelen’ [1450-1500; MNW-R]; vnnl. christelijk [1539; MNW-R]. Gevormd uit christen en het achtervoegsel → -lijk. ♦ christendom zn. ‘de christelijke godsdienst, de christelijke wereld’. Mnl. kerstijndom ‘het christelijk geloof’ [1300-25; MNW-R], kerstendoem ‘id.’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. christendom ‘de christelijke wereld’ [1635; WNT]. Gevormd uit christen en het achtervoegsel → -dom, waarmee een verzameling of een gebied wordt uitgedrukt. ♦ christenheid zn. ‘de christenen, het christelijk geloof’. Onl. christanheyd ‘alle christenen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. cristenheit ‘het christelijke geloof’ [1200; CG II, Servas], kerstijnheide ‘de christenen’ [1273-76; Lut.K]. Gevormd uit christen en het achtervoegsel → heid.

EWN: ♦ christendom zn. 'de christelijke godsdienst, de christelijke wereld'; de vorm christendom (1635)
ANTEDATERING: die lijbertheijt van haer christendom 'de vrijheid van haar christendom' [1566; iWNT trekken]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† christenheid znw., mnl. kerstijnheit, -hêde (zie bij -heid Suppl.) v. ‘christelijk geloof, christenheid’, ohd. kristanheit, kristenheit v. ‘christenheid’ (nhd. christenheit), os. cristinhêd v. ‘doopbelofte’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

christenheid ‘al de christenen’ -> Negerhollands christenheid ‘al de christenen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut