Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

chirurg - (geneeskundige die vooral operaties verricht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

chirurg zn. ‘geneeskundige die vooral operaties verricht’
Vnnl. chirurgus ‘heelkundige’ [1663; Meijer]; nnl. chirurg ‘id.’ [1872; WL].
De oudste attestatie is ontleend aan Latijn chīrūrgus < Grieks kheirourgós ‘hij die met de hand werkt’, gevormd uit Grieks kheír ‘hand’ en érgon ‘werk, handeling’ (verwant met → werk en zie ook → energie). De verkorte vorm is gevormd naar analogie van Duits Chirurg, dat ontleend is aan hetzelfde Latijnse woord.
De langere vorm chirurgus bleef nog een tijdlang bestaan [nog in 1912; Kuipers].
chirurgie zn. ‘operatieve geneeskunde, heelkunde’. Mnl. uan cirurgien ‘van geneeskunde’ en met cirurgijen ‘met (toepassing van) geneeskunde’ [1265-70; CG II, Lut.K]. Ontleend aan Oudfrans cirurgie [ca. 1175; Rey] (Nieuwfrans chirurgie) < middeleeuws Latijn c(h)irurgia < Grieks kheirourgía ‘heelkunde’, letterlijk ‘handwerk’. De spelling met ch- is in de Renaissance onder invloed van de hernieuwde kennismaking met het Grieks en het klassiek Latijn heringevoerd. Gesyncopeerde vormen zijn mnl. surgie [MNHW]; vnnl. surgije [1599; Kil.], surgije [1573; Thes.]. Een vergelijkbare vorm is Engels surgery.. ♦ chirurgijn zn. ‘heelmeester’. Mnl. cirurgin ‘id.’ [1265-70; CG II, Lut.K], cirurgien, siroergien, surisien [13e eeuw; MNW]; vnnl. een chiruergin ofte barbier ‘een chirurgijn of barbier’ [1563; WNT waarvoor], cirurgijn, cirurgus ‘wondarts’ [1599; Kil.]. Ontleend aan Oudfrans cirurgien [12e eeuw; Rey] (Nieuwfrans chirurgien), een afleiding van het zn. cirurgie. Uit de gesyncopeerde Oudfranse vorm surgien stammen mnl. surgien [1337; MNW], surgijn [MNHW], en Engels surgeon).

EWN: chirurg zn. 'geneeskundige die vooral operaties verricht' (1663)
ANTEDATERING: een Meester of Chirurgus [1556; Paracelsus, A1r]
Later: de collegiën der Chirurgen [1836; Vriend, 818] (EWN: 1872)
EWN: ♦ chirurgijn zn. 'heelmeester'; de vorm chirurgijn (1563)
ANTEDATERING: chirurgien 'chirurgijn' [1515; iWNT ziekte]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

chirurg [heelkundige] {chirurgus 1663, chirurg 1872} wellicht < hoogduits Chirurg < latijn chirurgus [heelkundige] < grieks cheirourgos (vgl. chirurgie). Ontlening uit het hd. is niet zeker; het woord kan ook een verkorting zijn van chirurgijn.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

chirurg

Een chirurg is een specialist die vooral heelkundige operaties verricht. Cats zegt dat een chirurg moet bezitten: een valcken oog, een leeuwenhart, een juffershand. Die laatste eigenschap is in overeenstemming met het woord chirurg. Dat is namelijk een samenstelling bestaande uit twee Griekse woorden: cheir: hand en ergon: werk, verrichting, daad. Die vormden samen het woord cheirourgos dat in het Latijn de vorm chirurgus kreeg en in het Frans Chirurgien werd. Dit leverde in het Nederlands het woord chirurgijn op, maar dit woord is verouderd. Het duidde een geneesheer met onvolledige bevoegdheid aan. De vorm chirurg is uit het Duits overgenomen en betekent dus letterlijk: handarbeider.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

chirurg late ontlening < lat. chirurgus < gr. cheirourgós ‘eig. ‘die met de hand werkt’. Daarnaast staat chirurgijn, mnl. siroergien, cirorgien, cyrurgien < ofra. cirurgien, vgl. ook mnl. surisien, surgien, surgijn, evenals ne. surgeon < ofra. surigien, surgien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

chirurg znw. Evenals hd. chirurg m. een jonge ontl. uit lat. chîrurgus < gr. kheirourgós. Hiervan komt ook ofr. cirurgien (> mnl. siroergien, cirorgien, cyrurgien m.), sur(i)gien (> mnl. surisien, surgien, surgijn m., eng. surgeon), nieuwfr. chirurgien (> ndl. chirurgijn).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

chirurg s.nw.
Snydokter.
Uit Ndl. chirurg (1877).
Ndl. chirurg uit D. Chirurg uit Latyn chirurgus uit Grieks cheirourgos 'iemand wat met die hande werk'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

chirurg (Latijn chirurgus)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

chirurg heelkundige 1877 [WNT wegwisschen] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal