Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

chic - (verfijnd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

chic zn. ‘(wereldse) verfijning’; bn. ‘verfijnd’
Nnl. chique (zn.) ‘wereldse verfijning, elegantie’ [1844; WNT], chic (bn.) ‘van wereldse verfijning’ [1858; WNT vermeluwen], ‘deftig, aanzienlijk’ [1890; WNT provinciaal II], (zn.) ‘kringen waar verfijning heerst’ [1898; Dale].
Ontleend aan Frans chic (zn.) ‘handigheid, vlotheid, elegantie’ en (bn.) ‘handig, vlot, elegant’. Deze woorden, die aan het eind van de 18e eeuw in de schilderwereld gebruikt gaan worden om vlotte virtuositeit te beschrijven, worden in het tweede kwart van de 19e eeuw modewoorden voor ‘(van) goede smaak, bon ton’ [1832; PRobert]. In de 16e eeuw betekende het zn. ‘spitsvondigheid’; de oudste betekenis is wellicht ‘handigheid in het voeren van processen’, welke betekenis het in Franstalig België nog heeft.
Wrsch. stamt het woord uit het Germaans. Het is dan bijv. verwant met mnl. geschict ‘ordelijk, geschikt’, zie → geschikt en → schikken, mnd. schicken ‘iets in orde brengen’, mhd. schick ‘orde, geschiktheid’, nhd. dial. Schick ‘id.’, nhd. geschickt ‘bekwaam, kundig, knap’. Een andere mogelijkheid is dat het Franse woord een afleiding is van een dialectisch werkwoord chicquer ‘tikken geven; met vlotte lijnen schetsen’, dat teruggaat op een voor-Romaanse vorm chic ‘klein, sierlijk’, een afleiding van Latijn ciccum ‘granaatappelpitje’; daarbij is wrsch. sprake van invloed van een ander Frans werkwoord chiquer ‘passen, tooien’, ontleend aan dezelfde hiervoor genoemde Germaanse woordgroep. Gezien de betekenisontwikkeling is enig verband met → chicaneren zeker ook niet uitgesloten.
Lit.: Guiraud 1994

EWN: chic zn. '(wereldse) verfijning'; bn. 'verfijnd' (1844)
ANTEDATERING: chique (zn.) 'zekere stijl van schilderen' in: veel van hetgeen de kunstenaars gewoon zijn "chique" te noemen [1840; Bürck, 172]
Later: chic 'elegantie, goede smaak' in: het mangelde aen den zoogenaemden "chic" 'het ontbrak aan de zogenaamde "chic"' [1843; Nolet de Brauwere van Steeland, 17] (EWN: 1844)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

chic [verfijnd] {1844} < frans chic, ontleend aan het germ., vgl. middelnederlands geschict [o.a. voegzaam, fraai van uiterlijk, geschikt voor], schickelijc [voegzaam, gepast], hoogduits geschickt [bekwaam, kundig, knap].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sjiek bnw. ook chic ‘modieuze verfijning’, in de 19de eeuw < fra. chic modewoord voor de goede smaak, maar in de 16de eeuw nog ‘spitsvondigheid’; in Wallonië is wellicht de oudste bet. bewaard: ‘handigheid in het voeren van processen’; men leidt het woord af < mhd. schick ‘orde, gepastheid, handigheid’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sjiek, chic znw. bnw. Nnl. uit fr. chic (wel uit hd. schick m. “fatsoen, behoorlijkheid” verklaard).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

chic, sjiek 1. bn. elegant 2. zn. deftige mensen; Nuinederlands chic <1858> < Frans chic.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

sjiek b.nw., s.nw.
Elegant, modieus, keurig en fyn, of swier, uiterlike keurigheid, verfyning.
Uit Ndl. chic (1844 in die vorm chique), sjiek (1909) of Eng. chic (1856 as s.nw., 1879 as b.nw.) of mntl. direk uit Fr. chic (1832).
Ndl. chic, sjiek uit Fr. chic. Mnl. geschict 'welvoeglik, fraai, geskik' en schickelijc 'welvoeglik, gepas' word met die Fr. vergelyk. Eng. chic uit Fr. chic uit Hoogduits Schick 'handigheid, orde, fatsoen, behoorlikheid' en geschickt 'bekwaam, kundig, knap'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

chic (Frans chic)
sjiek (Frans chic)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

chic ‘verfijnd’ -> Indonesisch cik ‘verfijnd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

chic verfijnd 1844 [Toll.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut