Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

chef - (persoon die aan het hoofd staat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

chef zn. ‘persoon die aan het hoofd staat’
Vnnl. Coninck Kaerle, chief ende souuereyn ‘koning Karel, staatshoofd en soeverein’ [1516; WNT vuur I], chef ‘hoofd, voorzitter’ [1688-96; WNT stellen]; nnl. chef ‘commandant bij leger of marine’ [1740; WNT bevel], ‘hoofdkok’ [1778; WNT hoofd], ‘afdelingshoofd’ [1843; WNT per].
Ontleend aan Frans chef ‘persoon die aan het hoofd staat’ [ca. 1172; Rey], ouder chief en chieef ‘hoofd’ [881; Rey]; de vormen Provençaals cap (zie → kaap), Italiaans capo en Spaans cabo ‘hoofd’ wijzen op een vulgair-Latijnse grondvorm *capu(m) [begin 7e eeuw; Rey], afkomstig, met wegval van de slotmedeklinker, uit Latijn caput ‘hoofd’, verwant met → hoofd; en zie → kapitein.
cheffin zn. ‘vrouwelijke baas’. Nnl. cheffin ‘id.’ [1950; WNT Aanv.]. Gevormd uit chef en het Nederlandse achtervoegsel → -in.

EWN: chef zn. 'persoon die aan het hoofd staat'; de vorm chef (1688-96)
ANTEDATERING: chef 'leidinggevende' [1612; iWNT paspoort]
EWN: ♦ cheffin zn. 'vrouwelijke baas' (1950)
ANTEDATERING: om als "Cheffin" te worden opgeleid [1882; NvdD 22/8]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

chef [die aan het hoofd staat] {chief 1516, chef 1721} < frans chef (oudfrans chief) < latijn caput [hoofd].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

chef znw. m. < fra. chef < lat. caput ‘hoofd’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

chef znw. Nnl. uit fr. chef (van lat. caput “hoofd”). Ook in andere germ. talen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

sjef s.nw.
1. Hoofkok. 2. (minder gebruiklik) Hoof, bestuurder.
Uit Fr. chef (10de eeu).
Fr. chef uit Latyn caput 'hoof' wat verband hou met die Afr. bet. 'hoof'.
D. Chef (1616), Eng. chef (1842), Ndl. chef (1782).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sjef: hoof (veral as kok); Ndl. chef, Eng. chef (veral in bet. chief steward), uit Fr. chef uit Lat. caput, “hoof”, hou verb. m. Ndl./ Afr. hoof(d), Hd. haupt, Eng. head.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

chef (Frans chef)
chef- (Frans chef)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

chef ‘persoon die aan het hoofd staat’ -> Indonesisch sép ‘persoon die aan het hoofd staat’; Atjehnees sèb ‘persoon die aan het hoofd staat’; Balinees sép ‘persoon die aan het hoofd staat’; Jakartaans-Maleis sèp ‘hoofd van station of kantoor’; Javaans sèp ‘hoofd van kantoor of station’; Madoerees ēssep, sep ‘hoofd van kantoor of station’; Menadonees syèf ‘baas (op het werk)’; Soendanees sep ‘persoon die aan het hoofd staat’; Papiaments shèf ‘persoon die aan het hoofd staat’; Sranantongo syèf ‘persoon die aan het hoofd staat’; Surinaams-Javaans sèf ‘persoon die aan het hoofd staat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

chef die aan het hoofd staat 1516 [Mak] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut