Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

charisma - (bovennatuurlijke (religieuze) gave; bijzondere uitstraling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

charisma zn. ‘bovennatuurlijke (religieuze) gave; bijzondere uitstraling’
Vnnl. charismaten (mv.) ‘religieuze gaven’ [1577; WNT vat I]; nnl. charisma ‘geestelijke begaafdheid’ [1899; Woordenschat], ‘persoonlijke aantrekkelijke uitstraling, eigenschappen van een leidende figuur’ [1953; Bos].
Ontleend aan Grieks khárisma ‘genadegave’, bij de apostel Paulus met name de term voor de gaven die de Heilige Geest geeft, zoals het genezen van zieken of het spreken ‘in tongen’, in geestvervoering. Het woord is een afleiding van het werkwoord kharízesthai ‘begunstigen’, dat hoort bij het zn. kháris ‘gunst, bevalligheid, dat wat vreugde brengt’.
De Duitse socioloog Max Weber (1864-1920) gebruikte de term charisma voor het eerst in de betekenis ‘gezag ontleend aan persoonlijke uitstraling’.
charismatisch bn. ‘met bijzondere uitstraling’. Nnl. charismatisch ‘van een heldenfiguur’ [1938; WNT Aanv.], ‘met bijzondere uitstraling’ [1955; WNT Aanv.], afleiding van charisma.
Lit.: Nierop 1979

EWN: ♦ charismatisch bn. 'met bijzondere uitstraling' (1938)
ANTEDATERING: in de Charismatische beteekenis van dit begrip [1854; Zaalberg/Van Campen 1, 111]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

charisma [uitstraling] {1658} < chr. latijn charisma [genadegave] of direct < grieks charisma [genade(gave)], van chairein [zich verheugen, gaarne hebben/doen].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

charisma s.nw.
1. Buitengewone geestelike gawe deur God geskenk. 2. Besondere persoonlikheidstrek waardeur iemand buitengewone gewildheid en lojaliteit verkry.
In bet. 1 uit Ndl. charisma (1923) 'bonatuurlike gawe'. In bet. 2 uit Eng. charisma (1930) 'vermoë om volgelinge tot toewyding en entoesiasme te inspireer'.
Ndl. charisma en Eng. charisma uit Grieks kharisma 'buitengewone talent, goddelike gawe' uit kharizesthai 'voorkeur gee' uit charis 'gawe, voorkeur'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

charisma (Grieks charisma)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

charisma ‘bovennatuurlijke gave’ -> Indonesisch karisma, kharisma ‘bovennatuurlijke gave’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

charisma bovennatuurlijke gave 1923 [Aanv WNT] <Latijn of Grieks

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut