Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

chaos - (baaierd, warboel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

chaos zn. ‘baaierd, warboel’
Mnl. caos ‘baaierd; vormloosheid voor de schepping’ [begin 15e eeuw; MNW]; vnnl. chaos ‘baaierd’ [1663; Meijer]; nnl. chaos “lees kaos ‘Beyert, verwerring’” [1717; Marin].
Ontleend via Latijn chaos ‘grenzeloze lege ruimte vol duisternis; de onderwereld; vormloze stof’ aan Grieks kháos ‘baaierd, onmetelijke ruimte waarin al het bestaande zijn oorsprong vond’, wrsch. verwant met Grieks kháskein ‘gapen’; zie ook → gas.
chaotisch bn. ‘compleet verward’. Nnl. chaotisch ‘id.’ [1844-51; WNT]. Wellicht ontleend aan Frans chaotique ‘id.’ [1838; Rey], of zelfstandig in het Nederlands afgeleid van chaos.

EWN: chaos zn. 'baaierd, warboel' (begin 15e eeuw)
ANTEDATERING: caos 'baaierd; vormloosheid voor de schepping' [1400-20; MNW-R, Die Dietsche Lucidarius]
EWN: ♦ chaotisch bn. 'compleet verward' (1844-51)
ANTEDATERING: 't Chaötisch Ryk [1764; Vad.lett. 2, 496]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

chaos [wanorde] {caos 1401-1425} < latijn chaos < grieks chaos [de eindeloze ruimte, luchtruimte, atmosfeer, de nog ongevormde oermaterie vóór de schepping], verwant met chaskein [de mond openen om te gapen, zich openen], chaunos [open staand] (vgl. kazemat).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

chaos s.nw.
1. Vormlose massa waaruit die wêreld ontstaan het. 2. Ordelose toestand of massa, wanorde, warboel.
Uit Ndl. chaos (al Mnl.).
Ndl. chaos uit Latyn chaos uit Grieks Xaos 'onbeperkte ruimte'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

chaos: “die leegheid v. d. heelal voor die skepping; gapende afgrond; toestand v. wanorde”; wsk. via Ndl. chaos (hoewel nog nie by Kil nie – in Eng. ouer, maar blb. eers sedert die 16e eeu in ruim gebr.) uit Lat. chaos, Gr. χaos, (ong.) “onbeperkte ruimte”; afl. chaoties.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

chaos (Grieks chaos)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Chaos (Gr.: afgrond) noemden de Ouden de vormlooze, onmetelijke massa, waarin vóór de schepping der wereld alle hoofdstoffen ordeloos dooreen lagen. Figuurlijk gebruikt men chaos (in onze taal ook wel baaierd genoemd) voor een ordelooze massa, het toppunt van wanorde of verwarring: “Wat een chaos van vragen en verhalen en uitroepen!” “Een chaotische mengeling.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

chaos ‘wanorde’ -> Indonesisch kaos ‘wanorde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

chaos wanorde 1401-1425 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut