Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

chantage - (afdreiging, afpersing)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

chantage zn. ‘afdreiging, afpersing’
Nnl. chantage [1895; Broeckaert].
Ontleend aan Frans chantage ‘afpersing’ [1836; Rey], afgeleid van de uitdrukking (argot) faire chanter quelqu'un ‘iemand afpersen’ [1808; Rey], eerder al ‘iemand tot bekennen dwingen’ [1640; Rey], letterlijk ‘iemand laten zingen’. Frans chanter ‘zingen’ gaat terug op Latijn cantāre ‘(be)zingen, kraaien’, een frequentatiefvorm van canere ‘zingen’, dat verwant is met → haan. Zie ook → chanson.
chanteur zn. ‘zanger; afperser’. Nnl. chanteur ‘beroepszanger’ [1795; WNT Aanv.], ‘afperser’ [1914; Dale]. In de betekenis ‘zanger’ ontleend aan Frans chanteur ‘zanger’, ouder chantur [12e eeuw; Rey], afleiding van chanter. In de betekenis ‘afperser’ verkort uit Frans ma(î)tre chanteur ‘afperser’, letterlijk ‘meesterzanger’ [1837; Rey]. Voor 1914 had Nederlands chanteur uitsluitend de betekenis ‘zanger’; deze betekenis is alleen in het BN blijven bestaan naast die van ‘afperser’. ♦ chanteren ww. ‘afpersen’. Nnl. gechanteerd (verl.deelw.) ‘chantage gepleegd op’ [1949; WNT Aanv.].

EWN: chantage zn. 'afdreiging, afpersing' (1895)
ANTEDATERING: zuivere chantage! [1860; Kneppelhout 1, 128]
EWN: ♦ chanteur zn. 'zanger; afperser' (1795)
ANTEDATERING: chanteur 'zanger' in: de voornaamste Chanteurs uit deeze Stad [1783; Diemer of Watergraafsmeersche courant (KB) 2/5]
Later: chanteur 'afperser' in: de eerste man … was een "chanteur", een deugniet [1876; Gids 3, 124] (EWN: 1914)
EWN: ♦ chanteren ww. 'afpersen' (1949)
ANTEDATERING: chanteeren (zonder betekenis) [1897; Salverda de Grave, 90]
Later: dat hij gechanteerd werd 'dat hij afgeperst werd' [1910; NvdD voor Ned.Indië (KB) 18/2] (EWN: 1949)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

chantage [geldafpersing] {1865} < frans chantage, van chanter (vgl. chanteren).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

chantage ‘geldafpersing’ -> Fries sjantaazje ‘geldafpersing’; Indonesisch santase ‘geldafpersing’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

chantage geldafpersing 1865 [KVW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut