Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

chalet - (alpenhut, houten huis)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Zwitserlands

Bij Zwitserland denken we aan alpenhoorn en jodelen. Maar er zijn veel meer Nederlandse woorden van Zwitsers fabricaat.
Het majestueuze berglandschap heeft onze taal verrijkt met gletsjer. Het Zwitsers-Duitse woord is eind achttiende eeuw in het Nederlands geïntroduceerd. De bioloog Maarten Houttuyn spreekt in 1780 van “Ysbergen, die men in Switserland onder den naam van Gletschers begrypt”. Vóór die tijd was het woord voor bergafwaarts stromende ijsmassa’s ijsbergen, een benaming die we tegenwoordig alleen gebruiken voor reusachtige ijsblokken in zee.
Ook van chalet ‘alpenhut, huis in Zwitserse stijl’ is bekend wie het woord uit Zwitserland heeft geëxporteerd. In de liefdesbrievenroman Julie, ou La nouvelle Héloïse (1761), gebruikt de Geneefse filosoof Jean-Jacques Rousseau het Zwitserse dialectwoord voor het eerst in het literaire Frans. In een voetnoot licht hij de betekenis toe: “een soort houten huizen waar kazen en diverse zuivelproducten worden gemaakt, in de bergen”. Het Nederlands heeft het woord in de negentiende eeuw aan het Frans ontleend.

Muesli
Het beklimmen van de Alpen wordt makkelijker als je je proviand op de rug draagt. In de zestiende eeuw ontstond in Zwitserland het woord ruggsack, dat in het Duits werd overgenomen als Rucksack, dat door ons werd aangepast tot rugzak.
Rond 1900 mengde de arts Maximilian Bircher-Benner voor zijn Zürichse patiënten havervlokken met water, condensmelk, citroensap en geraspte appel. De aanvankelijke benaming Apfeldiätspeise werd spoedig vervangen door Bircher Müesli. Müesli is de verkleinvorm van het Zwitsers-Duitse Mues (‘brei’). Het ontbijtproduct dat tegenwoordig onder de naam muesli in de schappen ligt, heeft niet veel gemeen met het oorspronkelijke gerecht.
Andere culinaire termen van Zwitserse komaf zijn emmentaler en gruyère. Het woord fondue (‘gerecht van gesmolten kaas’) gaat via het Frans terug op het Zwitsers-Frans. De letterlijke betekenis is ‘het gesmoltene’. De benaming is verwant met fondant, dat in ons taalgebied twee betekenissen heeft: in Nederland ‘zacht suikerwerk’, in België ‘pure chocola’. De Vlaamse betekenis ligt dicht bij die van de oorspronkelijke benaming (chocolat) fondant, ‘smeltende chocolade’, bedacht door de Bernse chocolademaker Rodolphe Lindt. Een in 1879 door hem geïntroduceerde bereidingswijze deed de chocola smelten in de mond.

Hugenoten
Franse protestanten die rond de zeventiende eeuw naar ons land vluchtten, droegen de naam hugenoten. Die gaat terug op eyguenots (de aanduiding voor Geneefse bondgenoten tegen de hertog van Savoye), dat weer voortkomt uit het Zwitsers-Duitse Eidgenossen (‘eedgenoten’), waarvan de vorm is aangepast aan de voornaam van de Geneefse leider Hugues de Besançon. De meeste Zwitsers die aan het begin van de zestiende eeuw in opstand kwamen, waren aanhangers van de reformatie, en daarom werd de term vanaf 1532 als scheldnaam voor protestanten gebruikt; zij namen deze als geuzennaam over. Via het Frans is de benaming in het Nederlands beland.
Kramers’ woordentolk verklaart in 1851 putsch als “in Zwitserland: volksoploop, volksopstand”. In 1839 had een volksopstand in Zürich, de zogenaamde ‘Züriputsch’, stof doen opwaaien. In het Zwitsers-Duits betekent Putsch allereerst ‘slag, botsing’; de overdrachtelijke betekenis ‘opstand’ is opgetekend in de zestiende eeuw.
In zijn Baselse Dissertatio medica de nostalgia, oder Heimwehe (1688) beschreef Johannes Hofer een jongeman die werd verteerd door verlangen naar huis. Hofer had het Zwitserse dialectwoord Heimweh, bekend sinds 1592, in het Grieks vertaald: uit nostos ‘terugkeer naar huis’ en algos ‘pijn’ ontstond nostalgia. Het neologisme sloeg aan, evenals Heimweh, dat in Duitsland een romantische lading kreeg. Het Nederlands heeft nostalgie rond 1800 geleend; heimwee is bij ons al sinds 1689 bekend. De betekenissen zijn sindsdien verschoven: heimwee is een ‘terugverlangen naar huis’, nostalgie betekent ‘verlangen naar vroeger’.

Solide
Zwitserland wordt van oudsher geassocieerd met solide kwaliteit – denk alleen al aan de reputatie van horlogemerken als Omega, Rolex en Swatch. Nederlandse bedrijven weten dat. De inheemse merknaam Zwitsal stamt uit 1928 en is een verkorting van ‘Zwitschersche balsem’. Onder deze naam werd in 1920 een handzalf op de markt gebracht “met onbegrijpelijke geneeskracht”. Zwitserleven, de Amsterdamse vestiging van verzekeringsconcern Swiss Life, introduceerde in de jaren tachtig het ‘zwitserlevengevoel’, een reclamewoord dat de woordenboeken heeft gehaald. Nog steeds doet Zwitserleven zijn best zijn klanten zo’n zorgeloos zwitserlevengevoel te geven – hoewel het bedrijf al sinds 2008 niet meer in Zwitserse handen is.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2016), ‘Zwitserlands’, in: Onze Taal 1, 29.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

chalet zn. ‘alpenhut, houten huis’
Nnl. chalet ‘alpenhut’ [1845; WNT vernederen I], ‘huis in Zwitserse stijl’ [1903; WNT koek].
Naar meestal wordt aangenomen ontleend aan Zwitsers-Frans chalet ‘alpenhut’, ouder chaslet [1408; Rey], chaleis (mv.) [1379; Rey] en in gelatiniseerde vorm chaletus [1328]. Dit kan een verkleinende afleiding zijn van Oudfrans chasel ‘hut, barak, hoeve, hofstede’; naast de vorm chasel staan Spaans, Provençaals, Portugees casal, alle afkomstig uit het Latijnse bn. casālis ‘behorend bij het huis, bij het landgoed’, een afleiding van Latijn casa ‘landhuis, landgoed’, zie → casino. Dauzat en Rey leiden chalet daarentegen af van een voor-Latijns, niet-Indo-Europees woord *cala ‘schuilplaats, schuilhut’, dat ook in plaatsnamen verschijnt.

EWN: chalet zn. 'alpenhut, houten huis' (1845)
ANTEDATERING: een "chalet" of groote hut [1793; Coxe 2-1, 211]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

chalet [Zwitsers houten huis] {1886} < zwitsers-frans chalet, met de verkleiningsuitgang -et uit een voor-i.-e. woord, dat verder slechts in plaatsnamen wordt gevonden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

chalèt (zn.) houten huis; Nuinederlands chalet <1845> < Frans chalet.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

chalet s.nw.
1. Switserse houthuis. 2. Klein villa gebou volgens Switserse styl. 3. Kleinerige hut of huis, gewoonlik van hout, in 'n vakansieoord of as vakansieverblyf.
Uit Eng. chalet (1817) (met behoud van die Fr. uitspraak).
Eng. chalet uit Fr. chalet uit Switserse Fr. chalet 'hut', mntl. verkleinw. van cala 'klipskuiling', wat verband hou met Mediterreense wortel cal- 'klip'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

chalet Zwitsers houten huis 1886 [KKU] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut