Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

chagrijnig - (slecht gehumeurd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

chagrijn zn. ‘verdrietige, knagende ontevredenheid; chagrijnig persoon’
Nnl. chagrin “moejelijkheidt, knaging” [1720; Meijer], chagrin, chagrijn ‘knagende ontevredenheid’ [1731-35; WNT overjarig], chagrin ‘moeilijkheid, verdriet’ [1805; Meijer], chagrijn ‘chagrijnig persoon’ [1898; Dale].
Ontleend aan Frans chagrin ‘gemelijkheid’ [ca. 1541; Rey], eerder al ‘bitter verdriet’ [1450; Rey], zelfstandig gebruik van het bn. chagrin ‘gemelijk; bitter’ [1389; Rey], teruggaand op Oudfrans chagrin ‘melancholicus’, van onduidelijke oorsprong, of op het werkwoord chagriner ‘gemelijk zijn; treuren’ [1424; Rey], eveneens van onduidelijke oorsprong.
Dauzat neemt aan dat chagrin met een voorvoegsel ca-, cha- gevormd is uit het Oudfranse werkwoord graignier ‘bedroeven, wrok voelen’ [12e eeuw], een afleiding van graim, grain ‘bedroefd, smartelijk’ [12e eeuw]. Dit is op zijn beurt ontleend aan pgm. *grama- ‘boos, verdrietig’ (zie → gram 2). Herkomst en betekenis van het voorvoegsel ca-, cha- blijven onverklaard; Dauzat suggereert een mogelijk verband met Latijn cap- ‘hoofd’ (verwant met → hoofd). Rey ziet chagriner ‘treuren, verdriet tonen’ als gevormd uit het grignier ‘de tanden ontbloten, tandenknarsen (van woede)’ [12e eeuw] of grincer, grincher ‘zuur kijken’ [1530], eerder al ‘tandenknarsen’ [14e eeuw]. Grignier is ontleend aan Frankisch *grinan (zie → grienen). Het voorvoegsel kan misschien Frans chat ‘kat’ zijn. Het werkwoord zou dan ‘een kattengrimas trekken’ betekenen.
Nederlandse spellingvarianten zijn/waren sjagrijn en volkstalig saggerijn [1913; WNT].
chagrijnig bn. ‘zuur, gemelijk’. Nnl. in sagrijnigheid [1866; WNT ding I], chagrijnig ‘id.’ [1884; WNT], sjagrijnig ‘id.’ [1884; WNT vlies I]. Afleiding van chagrijn.

EWN: chagrijn zn. 'verdrietige, knagende ontevredenheid; chagrijnig persoon' (1720)
ANTEDATERING: vnnl. mijn kop is vol Chagrijn [1672; Molière, 3]
Ook: chagrijn (bn) 'chagrijnig' in seer korzel, chagrin, end' eygen-sinnich [1676; Carlier, 36]
EWN: ♦ chagrijnig bn. 'zuur, gemelijk' (1866)
ANTEDATERING: zulke Chagrijnige trekken [1781; 't Hoen, 22]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

chagrijnig ‘slecht gehumeurd’ -> Duits dialect sacherijnig, ßacheräinich ‘mistroostig, wrevelig, slecht gehumeurd’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut