Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

certificaat - (schriftelijk bewijsstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

certificaat zn. ‘schriftelijk bewijsstuk’
Mnl. certifficatie ‘bewijsstuk, paspoort’ [1441; MNW bevriën]; vnnl. certificatie ‘id.’ [1505; WNT certificatie]; nnl. certificaat ‘bewijsstuk’ [1721; WNT volvoeren].
Via Frans certificat ‘bewijsstuk’ [1380; Rey], eerder ook al certification ‘id.’ [1310; Rey], ontleend aan middeleeuws Latijn certificatio of certificatum, een afleiding van middeleeuws Latijn certificare ‘zeker maken’, gevormd uit Latijn certus ‘zeker’ (wrsch. verwant met → rein) en facere ‘maken’ (verwant met → doen, zie ook → feit).
Naast vnnl. certificatie kwam ook het zn. certificateur ‘die certificatie verstrekt’ [1626; Stall.] voor.
certificeren ww. ‘officieel verklaren, vastleggen’. Mnl. certificieren ‘id.’ [ca. 1380-1434; MNW orconden]; vnnl. certificeren ‘id.’ [1682; WNT certificatie]. Ontleend aan middeleeuws Latijn certificare ‘zeker maken’. In het Middelnederlands bestond het werkwoord ook in de vorm certifieren ‘verklaren, schriftelijk vastleggen’ [1424; WNT utedien], die was ontleend via Frans certifier, eerder al certefier ‘vastleggen’ [1172-74; Rey] < middeleeuws Latijn certificare ‘zeker maken’.

EWN: certificaat zn. 'schriftelijk bewijsstuk' (1441)
ANTEDATERING: goede lettren van certificatie 'goede bewijsstukken' [1431; CHN, gent 1431 1]
EWN: ♦ certificeren ww. 'officieel verklaren, vastleggen' (ca. 1380-1434)
ANTEDATERING: certefijerde 'verklaarde' [1370-78; MNHWS]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

certificaat [schriftelijke verklaring] {1847} < frans certificat < middeleeuws latijn certificatum, van certificare (verl. deelw. certificatum) (vgl. certificeren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

serfendekaat, zn.: certificaat. Verhaspeling met metathesis en n-epenthesis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

certificaat ‘schriftelijke verklaring’ -> Deens † certifikats ‘schriftelijke verklaring’; Indonesisch sértifikat ‘schriftelijke verklaring’; Javaans sèrtipikat, surtipikat ‘schriftelijke verklaring’; Madoerees sertifikat ‘schriftelijke verklaring’; Soendanees istripikat ‘schriftelijke verklaring’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

certificaat schriftelijke verklaring 1847 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut