Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

cent - (honderdste deel van een munteenheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

cent zn. ‘honderdste deel van een munteenheid’
Nnl. cent ‘honderdste deel van een gulden’ [1816; WNT], in dat jaar ingevoerd onder koning Willem I.
Wellicht ontleend aan Amerikaans-Engels cent, in 1782 gesuggereerd als naam voor ‘gedeelte van een dollar’ en in 1786 als zodanig ingevoerd [OED], afgeleid van Latijn centum ‘honderd’, verwant met → honderd. Maar het kan ook een verkorting geweest zijn van Frans centime ‘honderdste deel van een frank’ [1793; Rey], dat geen voortzetting is van Oudfrans centisme ‘honderdste’, maar bij het opzetten van het metrieke stelsel kort na de Franse Revolutie nieuw is gevormd bij het Franse telwoord cent ‘honderd’ naar het model van décime ‘tiende deel’ (zie → decimaal).
Na het ontstaan van België en de invoering aldaar van de frank in 1830 bleven de benamingen cent en halve cent in zwang voor ‘munt van twee resp. één centime’ vanwege de ongeveer gelijke waarde met de Nederlandse cent; in 1953 ging deze munt uit omloop. In Nederland werd de centmunt in 1980 afgeschaft, maar hij bleef bestaan als rekeneenheid; zo kon de betekenis naadloos overgaan in ‘honderdste deel van een euro, eurocent’.
centime zn. ‘honderdste deel van een frank’. Nnl. centimen (mv.) [1806; Claes 1994a]; ook wel geschreven als centiem. Ontleend aan Frans centime.
Lit.: M. Grauls (1957) ‘De overlijdensakte van de Belgische cent’, in: Grauls 1957

EWN: cent zn. 'honderdste deel van een munteenheid' (1816)
ANTEDATERING: vnnl. Eerst cent 'procent' in: een sentjen winst 'een procentje winst' [1612; iWNT]
Later: ook cent 'honderd' (in koopmanstaal) als in: met cent percent advance 'met honderd procent winst' [1617; iWNT avance]; cent 'dollarcent' in: Een Belasting van 60 "Centen" [1789; Alg.KLB 3, 64]
EWN: ♦ centime zn. 'honderdste deel van een frank' (1806)
ANTEDATERING: 5 deniers en 9 centimes [1796; 's Hertogenbossche vaderlandsche courant (KB) 5/2]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

cent [munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden] {1816} < engels cent < latijn centum [honderd].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

cent znw. m. Het woord, dat in 1816als muntnaam werd ingevoerd, betekent ‘honderdste deel van de gulden’. De naam is afgeleid van lat. centum ‘honderd’; invloed van het eerst sedert het eind der 18de eeuw opgekomen fra. centime is waarschijnlijk; het franse woord is geen voortzetting van ofra. centisme < lat. centesimum, maar nieuw gevormd van cent naar analogie van décime. Er is derhalve geen reden met E. Schröder KZ 53, 1925, 93 te denken aan een reeds oudere nederl. verkorting uit fra. centime, waarvoor de bewijsplaatsen ontbreken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

cent znw. Laat-nnl. uit lat. centum “honderd”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

cent. De afl. uit lat. centum heeft het bezwaar, dat het woord ‘een honderdste’ en niet ‘honderd’ moet aanduiden. Daarom kan men zich afvragen (Edw. Schröder KZ. 53, 93), of wellicht cent uit een woord als fr. centime of lat. centêsimum is verkort (vgl. zuidndl. cent als benaming voor de belgische centime). De verkorting was dan in de volkstaal waarschijnlijk al gangbaar, voordat in 1816 de muntnaam officieel werd ingevoerd. Bewijzen voor dit vroege voorkomen ontbreken echter (17e-eeuws centje? In het Ndl. Wdb. als een afkorting van percent opgevat).
Het is ook mogelijk, dat het ndl. woord opzettelijk gemaakt is naar amerik. cent, dat als muntnaam in 1789 is ingevoerd, maar voordien als verkorting, op de boven beschreven wijze ontstaan, in gebruik kan geweest zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

cent m., uit Lat. centum = honderd (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

sent s.nw.
Een honderdste van 'n rand, asook van bepaalde ander geldeenhede.
Uit Ndl. cent (1816). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. cent uit Latyn centum 'honderd'.
D. Cent, Eng. cent (1400), Fr. cent (11de eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

cent (de, -en), (thans) 1. munt ter waarde van een honderdste (Surinaamse) gulden*. - 2. bedrag ter waarde van deze munt.
— : grote cent, (veroud.) halve stuiver, een uit Suriname en Ned. verdwenen munt. Hoeveel kost een toffee? - Een grote cent, juffrouw. - Goed Ram! Geef die grote cent dan aan Ronald (A. de Vries 1957 (5): 33). - Etym.: Deze munt was, evenals de toenmalige cent, van brons, maar groter. S bigi sensi (bigi = groot; sensi = cent).
— : ko’peren cent, cent*. De jonge kerels kregen wel een biertje, maar geen sterke drank en van 33 koperen centen* per dag kan niet vaak een kwart stoop () ouwe klare worden gekocht (Waller 83). - Etym.: S koprosensi (kopro = koper(en); sensi = cent*). - Opm.: De term wordt vooral gebr. als men de nadruk wil leggen op de geringe waarde: zie het cit., en bijv.: Ik had geen koperen cent - Ik had geen rooie duit.
— : voor geen cent bw. uitdr., voor geen goud, onder geen beding. Mijn sleutelbeen is de sleutel tot het rijk van Lindo. Eens zal ik daarbinnen trekken en Lindo doden. Nee. nee, alles [kun je van me krijgen] behalve mijn sleutelbeen. Voor geen cent! schreeuwt hij van woede en pijn (Barron 1981b: 29); het is een stukje uit een sprookje.
— : niet voor twee cent bw. uitdr., niet zo’n beetje, niet zo zuinig. Ik heb je iets gevraagd en als je me niet antwoordt, ga ik je bouten* wassen, en niet voor twee cent (Helman 1954a: 16). - Etym.: Vgl. twee cent met AN ‘zuinig’. S ‘no fo toe sensi’ = lett., id.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

cent (Engels cent)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

cent ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’ -> Duits Cent ‘vroegere Nederlandse munteenheid’; Deens cent ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’ (uit Nederlands of Engels); Noors cent ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Zweeds cent ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Fins sentti ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Ests sent ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Frans cent ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Tsjechisch cent ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Arabisch (MSA) sint ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Noord-Sotho sente ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’ (uit Afrikaans of Engels); Tswana sentê ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’ (uit Afrikaans of Engels); Xhosa senti ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe senti ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho sente ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch sén ‘honderdste deel van een roepia’; Ambons-Maleis sènt ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Atjehnees sèn, sèm ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Boeginees seng ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Iban sen ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis sèn ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Javaans sèn ‘honderdste deel van een gulden of roepia’; Keiëes seng ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Kupang-Maleis sènt ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Madoerees ēssen ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Makassaars † seng ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Menadonees sènt ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Minangkabaus sen ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Nias se ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Rotinees sen ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Savu he ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Sasaks sen ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Soendanees sen ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Ternataans-Maleis sènt ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Creools-Portugees (Malakka) cent ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’ (uit Nederlands of Engels); Berbice-Nederlands sent ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Papiaments sèn (ouder: cens) ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden; geld’; Sranantongo sensi ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Saramakkaans seén ‘oude munteenheid’ ; Sarnami señs ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Surinaams-Javaans sèn ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) cents ‘geld’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

cent [munt ter waarde van een honderdste gedeelte van een gulden] (1816). In 1816 ging de Muntwet in, waarbij het decimale stelsel, door de Fransen in 1809 ingevoerd, ook in het betalingsverkeer werd doorgevoerd: de gulden werd het uitgangspunt van het betalingsverkeer, en voor een honderdste deel van een gulden wordt in 1816 het woord cent ingevoerd, een woord dat ontleend is aan het Engels.
Geen cent te veel hoor [reclameslogan] (1974). Het in 1894 geïntroduceerde margarinemerk ‘Zeeuws meisje’ wordt begin jaren zeventig aangeprezen met de slogan ‘Ons bin zunig’ en vanaf 1974 met ‘Geen cent te veel hoor’. Beide slogans worden gevleugelde uitdrukkingen.
euro [munteenheid] (2002). Op 1 januari 2002 wordt de euro als officiële munteenheid ingevoerd in twaalf lidstaten van de EU, waaronder Nederland. Hierdoor raakt de oude muntterminologie (gulden, dubbeltje, kwartje, rijksdaalder, riks) in één klap verouderd. Het woord cent blijft in gebruik na de invoering van de euro, soms in de combinatie eurocent. Spreekwoorden met de oude muntnamen blijven gewoon bestaan (denk aan ‘Dat is een dubbeltje op zijn kant’).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

cent munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden 1816 [WNT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut