Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

cedel - = ceel

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ceel zn. ‘bewijsstuk’
Mnl. cedel(e) ‘lijst, schriftelijke verklaring, akte’ [1240; Bern.].
Ontleend, al dan niet via Frans cédule ‘geschrift’ [eind 12e eeuw; Rey], aan middeleeuws Latijn cedula, nevenvorm van schedula ‘blaadje papier’. Dit is een verkleinwoord van Latijn scheda, scida ‘reep papyrus’ en vandaar ‘blad papier’, wrsch. < Grieks skhídē ‘afgehakt stuk’, afgeleid van skízein ‘splijten’, zie → schisma en → scheiden.
Mhd. zedel ‘los blad papier’ (nhd. Zettel) gaat terug op middeleeuws Latijn schedula, evenals ne. schedule ‘schema’. Het Fries heeft sedel.
doopceel zn. ‘uittreksel uit het doopregister’. Nnl. doopcedul ligten ‘het doopceel lichten, de persoonlijke gegevens nagaan’ [1757-62; WNT], doopcedule ‘uittreksel uit het doopregister’ [1760-67; WNT]. Gevormd uit een afleiding van het werkwoord → dopen en ceel. Tegenwoordig alleen nog figuurlijk gebruikt in de uitdrukking iemands doopceel lichten ‘iemands ongunstige verleden bekendmaken’.

EWN: ♦ doopceel zn. 'uittreksel uit het doopregister' (1757-62)
ANTEDATERING: om haar Doopcedel ... op te soecken [1677; Phoonsen, derde bericht, 75]
Later: daarom heb ik myn Doopceel laten schryven [1714; Van der Hoeven, 34]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal