Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

carrousel - (draaimolen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

carrousel zn. ‘draaimolen’
Vnnl. carousel ‘ruiterfeest waarbij in een besloten ruimte vaardigheidsproeven worden afgelegd’ [1671; WNT], een caroussel of equester steekspel ‘een carrousel of ruitersteekspel’ [1698; WNT steekspel]; nnl. carroussel ‘toernooi waarbij naar hoofden en ringen wordt gestoken’ [1717; Marin], ‘ridderspel te paard; ringloop; mallemolen’ [1824; Weiland], carroussel, caroussel “ringrijden op ronddraaiende houten paarden, de zogenaamde mallemolen, een bekend kermisvermaak voor kinderen” [1847; Kramers], carrousel ‘draaimolen’ [1899; Woordenschat].
Ontleend aan Frans carrousel ‘ruitershow waarbij ruiters gevarieerde bewegingsfiguren maken’ [1620; Rey], ouder carrouselles [1596; Rey] < Napolitaans carusello ‘ruiterspel’ [1580]. Dit was de benaming van een oorspr. Moors spel dat in de 16e eeuw door de Spanjaarden in Napels is gebracht, waarbij twee groepen ruiters elkaar met krijtballen bestookten. Over de verdere herkomst van het woord bestaan verschillende theorieën. Volgens Rey is het afkomstig van Napolitaans carus(i)ello ‘spaarpot in de vorm van een hoofd’ (omdat de krijtballen de vorm van een hoofd hadden), afgeleid van Italiaans caruso ‘kaalgeschoren hoofd’, mogelijk gevormd naar Latijn cariōsus ‘zeerhoofdig, bedorven, verrot’, zie → cariës. Volgens Kluge is het afgeleid van Laatlatijn cara ‘gezicht, gelaat’, waarvan de betekenis zich via ‘vriendelijk gezicht, vriendelijkheid’ en ‘vriendelijke ontvangst’ tot ‘feestelijkheid’ moet hebben ontwikkeld (een dergelijke ontwikkeling deed zich voor bij Oudfrans chère); via een Laatlatijnse afleiding *carosellus ‘feestelijk’ ontstaat dan Italiaans carosello, oorspr. ‘feest, schouwspel’, dat later de engere betekenis ‘ruiterfeest’ krijgt.
De betekenis ‘carrousel van houten paarden, draaimolen’ komt in het Duits al in het vierde kwart van de 18e eeuw en in het Nederlands al in 1847 voor, zodat die betekenis in het Frans waarschijnlijk via het Belgisch-Frans of Zwitsers-Frans [1870; Rey] uit het Duits of Nederlands is overgenomen.
In de paardensport is een carrousel nog steeds een ruitershow waarbij twee groepen ruiters gevarieerde bewegingsfiguren maken.
Lit.: Rey

EWN: carrousel zn. 'draaimolen' (1671)
ANTEDATERING: om te sien het kostelijck "Carousel" ('ruiterfeest') [1665; Van Aitzema 10, 291]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

carrousel [draaimolen] {1671 in de betekenis ‘ruiterfeest waarbij in een besloten ruimte vaardigheidsproeven worden afgelegd’} < frans carrousel < italiaans carosello [feestelijk ridderspel, het ringrijden, mallemolen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

carroussel znw. m. o. ‘ruiterfeest; draaimolen met houten paarden’ < fra. carrousel ‘ringsteken te paard’ < ital. carosello of garosello ‘ringsteken’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kuresèl zn. m.: draaimolen. Dial. uitspraak van Fr. carrousel.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

carrousel s.nw.
1. Ridderspel van ringry, ringsteek, ens. 2. Ringsteek, veral op houtperde in 'n mallemeule. 3. Mallemeule met houtperde.
Uit Ndl. carrousel 'ruiterfees waarby in geslote ruimte bewys van vaardigheid gelewer word' (1671), waaruit 'plek vir vermaak wat die oorspr. carrousel naboots, mallemeule' (1824) ontwikkel.
Ndl. carrousel uit Fr. carrousel 'ringsteek te perd' uit It. carosello of garosello 'ringsteek'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

carrousel’ (de, -s), (uitspr. F: karroesel’), draaimolen met (o.m.) houten paardjes, ook van zeer eenvoudige vorm en aangedreven met mankracht. En dan mag het Surinaamse vreeswiel* en de Surinaamse caroesel met de hand gestoten* worden in plaats van met electriciteit, maar dan leren de kinderen de eigen omstandigheden kennen (WS 20-11-1982). - Etym.: F. In Ned. wordt het woord tegenwoordig alleen gebr. voor de heel grote en luxueuze draaimolen, voor zover die nog bestaat, die voluit ‘stoomcarrousel’ heet. - Syn. boengoeboengoecarrousel*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

carrousel ‘draaimolen’ -> Indonesisch karosél ‘draaimolen’; Soendanees karosel ‘draaimolen’; Sranantongo karusèl ‘draaimolen’; Surinaams-Javaans krosèl ‘draaimolen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

carrousel draaimolen 1824 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal