Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

canon - (kerkelijke wet; richtsnoer; kettingzang)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kanunnik zn. ‘kapittelheer’
Mnl. canonec [1240; Bern.]; vnnl. ook samengetrokken vormen als canoonc, canuenc, k'nunck, knunnik; nnl. Canunnik van St. Pieter te Utrecht [1765; WNT].
Ontleend aan christelijk Latijn canonicus ‘lid van een kapittel, kapittelheer’ [8e eeuw; Rey chanoine], eerder ‘hij die volgens de regels behoort tot de geestelijkheid van een kerk’ [4e eeuw; id.], zelfstandig gebruik van het bn. canonicus ‘levend volgens de regels van een religieuze orde’, een afleiding van klassiek Latijn canon ‘regel, richtsnoer’, dat ontleend is aan Grieks kanṓn ‘richtlat, richtsnoer’, overdrachtelijk ook ‘regel, norm’, afleiding van kánna ‘riet’, zie → kaneel.
Een kanunnik is een van de leden van een → kapittel, een gemeenschap van geestelijken rond een bisschoppelijke of anderszins bijzondere kerk, die het werk van de bisschop of pastoor ondersteunen. Een duidelijke structuur en regels kregen deze kapittels na het Concilie van Aken in 816, maar reeds in de vroeg-christelijke tijd, ver voordat er kapittels waren, bestond de status van kanunnik. Er was in de kerk al vroeg de behoefte om christelijke leefgemeenschappen te stichten; monniken deden dit om zich van de wereld af te keren, kanunniken richtten zich daarbij juist op de wereld.
Ook het Nederlandse woord canon ‘kerkelijke wet’ is ontleend aan het christelijk Latijn. In de betekenis ‘meerstemmig, zich steeds herhalend zangstuk’ is canon ontleend via het Italiaans en/of Frans; die laatste betekenis kon zich ontwikkelen uit oorspr. ‘regel, richtsnoer’ door de strikte regels waaraan een canon moet voldoen om zo te heten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

canon [regel, richtsnoer] {1450 in de betekenis ‘regel, richtsnoer, preek’} < latijn canon [in chr. lat.: lijst van erkende bijbelboeken] < grieks kanōn [lat, liniaal, regel, richtsnoer], van kanna [eig.: rietstok] (vgl. canna).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

canon (Latijn canon)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Canon, uitspreken Kánon, (Gr. kanoon = regel, richtsnoer, maatstaf). Dit woord kan verschillende beteekenissen hebben. Zoo onder anderen: de regelen betreffende het geloof en de kerkelijke tucht: De canons van het Vaticaansch concilie; de apostolische canons, een verzameling van reglementen, dagteekenend uit de eerste eeuwen der kerk; de boete-canons, vaststellende de boetedoeningen, die vroeger werden opgelegd aan de zondaren om vergiffenis te krijgen.
Verder beteekent het woord: de officiëele catalogus der door de R.-K. kerk erkende Heiligen; de catalogus der boeken uit de H. Schriftuur, die door de kerkelijke overheid worden beschouwd als zijnde door God ingegeven. De canon van de H. Schrift bestaat voor de Herv. kerk uit 2 deelen: de boeken van het Oude, en die van het Nieuwe Testament. Ook was oudtijds canon de lijst, waarop de namen ingeschreven werden van de geestelijken aan een bisschoppelijke kerk (cathedraal), die zich tot een gemeenschappelijk leven verbonden (Canonici = kanunniken; z. d. w.).
Verder beteekent canon in de kerktaal een besluit van een algemeene kerkvergadering, hetwelk als “regel” of wet geldt en waarvan het niet-opvolgen met den ban gestraft wordt. Ook is “canon” een voornaam gedeelte der H. Mis.
In de muziek is canon het zoog. “kettinggezang,” dat wij als bekend mogen onderstellen.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Canon, ’t lat. woord, wet, regel, richtsnoer, bepaaldelijk kerkelijke beslissing betreffende het geloof of de tucht. In verschillende bet. o.a. naar de bijgevoegde bepaling. C. der H. Schrift = lijst der als door God ingegeven beschouwde boeken, tegenover de apocriefe; C. d. Heiligen = lijst der door de R.K.K . erkende heiligen; C. der mis = alle gebeden en plechtigheden, die de mis uitmaken, ook geschrift, een gebed uit de mis bevattend, dat op het altaar voor den priester wordt neergelegd. Canones = kerkelijke leerstellingen en voorschriften: C. apostolici = leerstellingen der Apostelen; C. conciliorum = leerstellingen en voorschriften der kerkvergaderingen, enz. Hiervan o.a. Canoniek recht = kerkelijk recht, door kerkvergaderingen en pausen vastgesteld.
In de muziek benaming van een compositie, waarin de verschillende stemmen of instrumenten een of meer maten na elkaar aanvangende dezelfde melodie hebben; een voorb. hiervan is b.v. het bekende: “De bezem, de bezem, wat doet men er mee, enz.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

canon ‘bedrag jaarlijks voor een erfpacht te voldoen’ -> Indonesisch kanon ‘bedrag jaarlijks voor een erfpacht te voldoen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

canon regel, richtsnoer 1450 [HWS] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal