Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

canaille - (gepeupel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

kanalje zn. ‘gespuis, gepeupel’
Vnnl. canaille ‘geboefte, gespuis’ in hy schold al de Adeldom voor Canaille, Guyten en Boeven loos ‘hij schold de hele adel uit voor gespuis, gemene deugnieten en schavuiten’ [1572; WNT Supp. adeldom], kanaelie ‘het gepeupel, het domme volk, de heffe des volks’ [1588; Kil.], canalie ‘id.’ [1588; Kil., Appendix], canaillie ‘gepeupel’ [1660; WNT]; nnl. 't Canalje, 't Janhagel, 't schuim, 't geboefte, jan rap en zyn maat [1701; WNT], kanalje [1824; Weiland]. Tegenwoordig is de officiële spelling canaille.
Ontleend aan Frans canaille ‘laag volk’ [ca. 1470; Rey], dat zelf ontleend is aan Italiaans canaglia ‘laag volk’ [voor 1338; Battaglia]; die betekenis is ontstaan uit de letterlijke (maar niet geattesteerde) betekenis ‘troep honden’, het woord is met pejoratief achtervoegsel gevormd uit cane ‘hond’, van Latijn canis ‘hond’, verwant met → hond.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

canaille [gepeupel] {canalie 1588} < frans canaille < italiaans canaglia [gepeupel, ploert], van cane [hond] < latijn canem, 4e nv. van canis [hond] + -aglia, dat een collectief vormt, lett. dus: troep honden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kanalje znw. o., sedert Kiliaen bekend, < fra. canaille (sedert de 16de eeuw) < ital. canaglia een afl. van cane ‘hond’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kanalje znw. o., sedert Kil. Uit fr. canaille (< it. canaglia: van cane > lat. canis “hond”). Kil. geeft onder de vreemde woorden canalie, onder de ndl. kanaelie op.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kanalje o., uit Fr. canaille, d.i. hondengebroed, een afleid. van Lat. canis (Fr. chien) = hond (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

canaille verouderd, (zn.) gepeupel; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) canaillje, Nuinederlands canaille <1572> < Frans canaille.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kanallie: – karnallie – , in Afr. nie veragtelik soos meest. in Ndl. en nie koll. (vgl. WAT s.v. kanalje) soos soms in Ndl. nie, wel “vabond/vagebond” (in skertsende sin); Ndl. kanalje (sedert Kil wat kanaelie as eie en canalie as vreemde vorm opgee; dial. Ndl. ook karnalje), soos Eng. en Hd. canaille uit Fr. canaille uit It. canaglia, “hondegebroedsel”, wat verb. hou m. Lat. canis, “hond”.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

canaille, kanalje: gemeen volk; gepeupel. De aangesprokenen worden vergeleken met dieren. Het Franse canaille is overgenomen uit het Italiaans, waar canaglia is afgeleid van cane: hond (Latijn: canis). De letterlijke betekenis is dus ‘het hondenvolk’. Napoleon bezat naar verluidt een zorgvuldig aangelegde zwarte lijst van personen die hem vijandig gezind waren. Op het titelblad had hij met eigen hand in het Italiaans en het Frans de woorden canaglia-les canailles geschreven. Het scheldwoord werd in ons taalgebied al opgetekend in 1572. Voltaire zou over Nederlanders gezegd hebben dat zij een volk zijn van canards, canaux en canaille. In het Frans bestaat er een spreekwoord: Les voleurs et les canailles sont faits pour s’entendre.

Men kan wel zien, dat het canaille aan de Academie den baas speelt – te drie uren! (Johannes Kneppelhout, Studenten-typen, 1839-1841)
‘Canaille, veepak! Ik zal je leeren eene weerlooze vrouw te mishandelen,’ schreeuwde hij. (Willem Roda, Eli Heimans.1889)
Wat een kanalje, zei Milada vol walging. (Het Volk, 01/10/1910)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

canaille ‘gepeupel’ -> Amerikaans-Engels dialect † connalyer ‘menigte’; Sranantongo kanari ‘gepeupel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

canaille gepeupel 1572 [WNT adeldom] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut