Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

camping - (kampeerterrein)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

camping zn. ‘kampeerterrein’
Nnl. camping ‘het kamperen’ [1941; Verschueren], camping ‘kampeerterrein’ [1958; Reinsma 1975].
Dit is een pseudo-Engels woord, wrsch. een verkorting van een (Amerikaans-)Engelse vorm als camping-place ‘plaats waar het leger kamp maakt’ [1616; OED], camping-ground ‘terrein waar kamp gemaakt wordt, waar de tenten worden opgeslagen’ [1867; OED]; Engels camping- is een vorm van het werkwoord camp ‘kamp maken, kamperen’, een afleiding van het zn. camp ‘legerplaats’ < Normandisch- of Picardisch-Frans camp ‘veld’ < Latijn campus ‘veld, exercitieterrein, slagveld’, zie → kamp 1, → kamp 3. Het is niet duidelijk via welke taal het woord zich verbreid heeft: ook bijv. Frans camping, Spaans camping, Duits Camping, Zweeds kamping, Bulgaars kamping; zie ook → camper.
De Engelse term is camp site.

EWN: camping zn. 'kampeerterrein' (1941)
ANTEDATERING: een geïsoleerd geval: De "campings" zijn solide tenten [1925; Bataviaasch nieuwsblad (KB) 13/1]
Later: camping "kampeeren" [1931; Voorwaarts (KB) 12/8] (EWN: 1941); een uniek geval: in eigen campings 'in eigen kampeerwagens' [1950; De Gooi- en Eemlander (KB) 31/5]; de zogenaamde "Campings", de kampeerterreinen [1953; PZC (KZ) 15/8] (EWN: 1958)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

camping [kampeerterrein] {1958} verkorting van engels camping site [idem], voor camping, vgl. kamp.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

camping (van Engels camping site)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

camping ‘kampeerterrein’ -> Indonesisch camping ‘kampeerterrein; kamperen’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

hoeslaken [soort laken] (1958). Het Winkler Prins Boek van het jaar vermeldt behalve hoeslaken de volgende nieuwe woorden die zijn ontstaan of ingeburgerd rond 1958: biënnale, branchevervaging, buddy seat, camping, drempelvrees, duster, duwbak, duwboot, duwvaart, faunabeheer, filter, geluidsjager, havenschap, hoela-hoep, mobile, museaal, nabrander, natuurbehoud, natuurtechniek, no-iron, non-fiction, prijsindexcijfer, rattekopje, recessie, spijtoptant, stralingsdosis, stylist, thermofusie, topconferentie, torenflat, videotape, vlieseline, vluchtnabootser en voorsorteren.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

camping kampeerterrein 1958 [R75]

Winkler Prins Boek van het jaar (1958-1980), Amsterdam / Brussel (lemma ‘Nieuwe woorden in onze taal’)

Camping (1959) oorspronkelijk buiten Nederland het gewone woord voor kamperen; de term is bezig in het Nederlands de woorden kamperen en kampeerterrein voor een deel te vervangen, onder invloed van het streven een eigennaam te geven aan een comfortabeler manier van kamperen, ook door een klasse van toeristen die vroeger niet kampeerden (automobilisten).
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal