Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

caduc - (bouwvallig; stuk)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variƫteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

kaduks b.nw.
1. Bouvallig, lendelam of stukkend. 2. Ongesteld, olik of gedaan.
Afleiding met -s van Ndl. kaduuk (ongeveer 1558 in bet. 1, 1781 in bet. 2). Eerste optekeninge in Afr. in bet. 1 by Mansvelt (1884) in die vorm kaduuks en in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm kaduks.
Ndl. kaduuk uit Fr. caduc uit Latyn caductus 'wat maklik val'.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal