Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

cacao - (zaad, poeder van de cacaoboom (Theobroma cacao))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

cacao zn. ‘zaad, poeder van de cacaoboom (Theobroma cacao)’
Vnnl. cacao [1596; WNT], maar wellicht al ouder [1550-70; Delattre 1943, 20].
Ontleend aan Spaans cacao < Nahuatl (Azteeks) cacaua, de stam van cacauatl ‘cacaoboon’. Omdat in het Nahuatl de -tl- in samenstellingen wegviel, veronderstelden de Spanjaarden ten onrechte dat de vorm cacaua luidde. Deze vorm kreeg in het Spaans, onder invloed van andere Spaanse vruchtboomnamen op -o, de uitgang -ao.
De Spanjaarden hebben het woord cacao, samen met het product, ingevoerd vanuit het nieuw ontdekte Amerika. Het woord is internationaal geworden: Fries kakao; Duits Kakao; Engels cocoa; Frans cacao enz.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

cacao [zaad van de cacaoboom] {1596} < spaans cacao < nahuatl kakáwa-, de stam van kakáwatl [cacaoboon]; het element -tl vervalt in samenstellingen: kakawakwáwitl, (kwáwitl [boom]), een uiteraard veel gehoord en de Spanjaarden spoedig vertrouwd woord; zij kwamen tot de onjuiste conclusie dat het eerste lid van de samenstelling kakáwa het woord voor cacao zou zijn; de o in cacao is ontstaan doordat in het spaans vruchtboomnamen op -o uitgaan, naast de vruchten op -a, (manzano - manzana [appel], cerezo - cereza [kers], granado - granada [granaatappel]).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

cacao znw. m., sedert de 16de eeuw < spa. cacao dat, naar men meent uit het Chileens stamt (vgl. mexik. cacauatl).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

cacao znw., sedert de 16. eeuw. Uit spa. cacao < mexic. cacaua- (cacauatl).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

cacao. Ook in andere europ. talen uit het Spa. ontleend. Beschouwingen omtrent het gebied van herkomst en de formele ontwikkeling in het Spa. bij Loewe KZ. 61, 84 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

cacao v., door Sp. uit Mex. caca(uatl = boom).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

kakao s.nw.
1. Saad of boontjie van die kakaoboom. 2. Bruin poeier verkry deur kakao (kakao 1) te rooster, van vetterige bestanddele te ontdoen en te maal. 3. Drank wat berei word deur kakao (kakao 2) met kookwater of -melk en suiker te meng.
Uit Ndl. cacao (1596 in bet. 1).
Ndl. cacao uit Sp. cacao uit Nahuatl kakáwa-, die stam van kakáwatl 'kakaoboon'. Wanneer kakáwatl met ander woorde, bv. kwáwitl 'boom', verbind om 'n samestelling te vorm, verval die tl, dus kakáwakwáwitl 'kakaoboonboom'. Die Spanjaarde het die onjuiste gevolgtrekking gemaak dat die eerste lid van die samestelling, nl. kakáwa, na die saad of boontjie verwys. Die o is aan die einde bygevoeg omdat Sp. vrugteboomname op o uitgaan.
Eng. cacao.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

cacao’ (de), (ook:) 1. waterchocola, chocolademelk. De ontbijtdrank is cacao en soms koffie of thee, alle drie met een beetje melk (Enc.Sur. 647). - 2. chocolade (vast; alleen in de combinatie: een plak* cacao). - Etym.: In bet. 1 in AN verouderend. E cocoa = o.m. bet. 1. - Zie i.v.m. 1: fajawatra*; zie i.v.m. 2 ook: poedercacao*.
— : cacao rollen (rolde, heeft gerold), gewassen en gedroogde cacaobonen pletten met een roller. Ze kent gouverneursliedjes*. Ze zingt ze wanneer ze koffie maalt of cacao rolt (Hijlaard 7).

plak cacao’ (de, -ken), 1. plak van vaste cacao waaruit cacao* (als drank) bereid kan worden. - 2. plak of reep chocolade. - Zie ook: poedercacao*.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

cacao, chocolade [versnapering]. Cacao, ook wel kakao geschreven, is de naam van de zaden van de cacaoboom, Theobroma cacao, die uit tropisch Amerika afkomstig is, maar thans ook in andere tropische gewesten gekweekt wordt. De cacao is, gelijk iedereen weet, het hoofdbestanddeel voor de bereiding van chocolade. De oorsprong van de naam is, evenals die van het gewas, Amerikaans. Piso, Mantissa aromatica, p. 198, zegt van deze zaden: ‘Hi sunt decantati illi ab indigenis cacahuatl, ab Hispanis corrupte cacao nuncupati, quorum causa arbor tantopere expetita est, utpote chocolatae potionis caput’ [Deze worden door de inheemsen cacahuatl genoemd, door de Spanjaarden foutief als cacao uitgesproken; de boom is zeer gezocht omdat hij het hoofdbestanddeel van de chocoladedrank is]. Van de Spanjaarden en Portugezen is het verbasterde cacao tot alle volken van Europa overgebracht.

Ook het woord chocolade is van Amerikaanse oorsprong en luidt in de taal van Mexico en aangrenzende landen, volgens Piso, Mantissa aromatica, p. 196, chocolatl, waarvan de Spanjaarden en Portugezen, die de naam aan alle andere volken van Europa hebben meegedeeld, chocolate gemaakt hebben. Men zegt dat wat de Mexicanen zo noemden, een mengsel was van cacao en maïs, op een ruwe wijze tussen stenen onder elkaar tot poeder gemalen en in water gekookt. Maar de Europeanen gaven de naam chocolade aan het mengsel van cacaobonen en verschillende geurige substanties, zoals vanille, kaneel, piment, enz., dat met suiker bereid en in melk of water gekookt de bekende heerlijke drank oplevert, die zich uit een Mexicaans nonnenklooster over de gehele beschaafde wereld heeft verbreid. Zie De Sturler, Handboek voor den landbouw, p. 266. [V]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

cacao (Spaans cacao)

C.A. Backer (1936), Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen

cacáo, - verhaspeling van kakahuatl, Mexic. volksnaam der plant.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

cacao ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’ -> Noord-Sotho khoukhou ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’ (uit Afrikaans of Engels); Tswana khôukhôu ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’ (uit Afrikaans of Engels); Xhosa koko ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe khokho ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho khoukhou ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch kakao ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’; Japans kakao ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’; Chinees dialect kakau ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’ ; Negerhollands kwakwa ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’; Berbice-Nederlands kaukau ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’; Sranantongo kakaw ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’; Arowaks kakao ‘zaad van de cacaoboom’ ; Sarnami kakáu ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’; Surinaams-Javaans kao, kekao ‘zaad van de cacaoboom; bruin’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † kwa kwa, kwakwa ‘zaad van de cacaoboom’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Van Houten’s cacao [merknaam] (1828). In 1828 patenteerde de Nederlander Casparus van Houten Sr., die in 1815 een chocoladefabriek was begonnen, een goedkope manier om het vet uit geroosterde cacaobonen te persen. Hierdoor konden chocoladeproducten eenvoudig en goedkoop worden geproduceerd, en het cacaopoeder gemakkelijk met water worden gemengd, waardoor ook cacaodranken konden worden gemaakt. Van Houten’s cacao wordt internationaal een begrip. “Eerst na 4 April 1828 [kon] voor het eerst in den handel verschijnen de poeder-chocolade, die toen werd genoemd ‘Koninklijk geoctroijeerde PoederChocolade’”, aldus het Eeuwboek 1828-1928 bij het Eeuw-feest der Firma C.J. Van Houten en Zoon.. Later werd de naam poeder-chocolade vervangen door cacaopoeder of cacao, waarmee chocolademelk gemaakt wordt.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

cacao zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank 1596 [WNT] <Spaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut