Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buur - (buurman of -vrouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

buur zn. ‘buurman of -vrouw’
Mnl. bure (mv.) ‘inwoners, buren’ [1280-87; CG I, 508] naast buerman ‘inwoner, rechtsgenoot; ingezetene’ [1322; MNW]. Daarnaast mnl. gebur ‘medeburger, nabuur’ [1240; Bern.], ook geburscap ‘buurt, nabije omgeving’ [1240; Bern.]; nu is gebuur ‘buurman of -vrouw’ uitsluitend BN. Met ander voorvoegsel: mnl. naiebur (in naieburs hof [1289; CG I, 1400]), Gronings noaber; nnl. nabuur, maar archaïsch en vooral in ambtelijk taalgebruik.
Gebuur is met het voorvoegsel → ge- (hier een persoon aanduidend, zoals ook bijv. in → gemaal, → gezel) afgeleid van een oud woord voor ‘woning’, nog te vinden in onl. Buria ‘Buren (Gelderland)’ [772; Künzel 104] en mnl. buur ‘huis, schuur’, en ontwikkeld uit pgm. *būra- bij *būwan- ‘wonen’, zie → bouwen. Voor buur is de gangbare verklaring dat dit een jonge noordelijke variant is van gebuur.
Cognaten met voorvoegsels zijn: os. gibūr, nābūr ‘buurman’ (nnd. naber); ohd. gibūr(o) ‘familielid, stamgenoot’ (mhd. gebūre ‘buur, medebewoner’, nhd. in familienamen Gebauer), nāhgibūro (nhd. Nachbar); oe. gebūr ‘bewoner, boer’, nēahgebūr (ne. neighbo(u)r). Zonder voorvoegsel: mnd. būr ‘inwoner, buur, boer’; ofri. būr ‘inwoner, buur(man), boer’ (nfri. buorman/-frou ‘buurman/-vrouw’). Ohd. bū(w)āri ‘boer, akkerbouwer’ (mhd. būwaere) is met achtervoegsel -āri als nomen agentis rechtstreeks gevormd bij het werkwoord būan ‘bewonen, verbouwen’ en heeft geleid tot nhd. Bauer ‘boer’. Het is dus homoniem met het tweede lid van Gebauer ‘buur’. Het is dan ook de vraag of nhd. Bauer ‘buur’ net als in het Nederlands is gevormd uit Gebauer (Kluge, Pfeifer) of dat het hetzelfde woord is als Bauer ‘boer’ (Bergmann 1970).
Als rechtstreekse afleidingen van het werkwoord pgm. *būwan- ‘wonen’ kunnen nog genoemd worden: on. búandi, bōndi ‘(vrije) boer, grondeigenaar’ (nzw. bonde ‘boer’); oe. būend; ohd. (lant)pūant ‘boer’. Ten slotte nog de cognaten van mnl. buur ‘huis, schuur’ < pgm. *būra-: mnd. būr ‘kooi’; ohd. būr ‘woning, schuur, kelder’ (mhd. būr, nhd. Bauer, beide alleen nog ‘vogelkooi’); oe. būr ‘hut, kamer’ (me. boure, ne. bower ‘prieel, boudoir’); on. búr ‘voorraadschuur’ (nzw. bur ‘kooi, hok’).
De uu is in de standaardtaal klankwettig ontwikkeld uit de Middelnederlandse lange u /oe/. In de Oost-Nederlandse dialecten heeft deze palatalisatie niet plaatsgevonden; uit zo'n dialect kon zo in de 16e eeuw in de standaardtaal het woord → boer 1 ‘landbouwer’ worden overgenomen.
Lit.: K. Heeroma (1943) ‘Wat is een boer?’, in: NTg 37*, 48-59; R. Bergmann (1975) ‘Althochdeutsche Glossen zu “Bauer”’, in: R. Wenskus e.a. Wort und Begriff “Bauer”, Göttingen 1975

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

buur* [die in de omgeving woont] {buur, buer [inwoner, buurman] 1265-1270} oudsaksisch gibūr [buurman], oudfries būr [buurman, landman], oudengels gebūr [bewoner, landman]; de vorm met het voorvoegsel is de oorspronkelijke, gevormd van ge- [samen], oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels būr [vertrek, huis], oudnoors būr [vertrek], dus ‘iemand die samen met een ander in een huis of buurt woont’; būr heeft als grondbetekenis ‘bouwen’ (vgl. boer1). De uitdrukking beter een goede buur dan een verre vriend is ontleend aan Spreuken 27:10 want een gebuur, die nabij is, is beter dan een broeder, die ver is.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

buur

Er heeft vroeger in het Germaans een woord bura bestaan dat betekende: woning, vertrek, huis. Het meervoud van dit verdwenen woord vindt men nog terug in Groningse plaatsnamen als Siddeburen en Pieterburen. Men neemt aan dat het werkwoord bouwen ermee verwant is.

In het Noordnederlands is buur ook een bijvorm van gebuur, Middelnederlands gbebure dat zowel buurman als landman, dorpeling betekende. Nu verstaat men onder buren hen die in eikaars nabijheid, in dezelfde buurt wonen. Misschien is buur hetzelfde woord als boer en was de boer vroeger de inwonende landarbeider die tot het personeel behoorde. Het klinkerverschil zou dan te verklaren zijn uit het streven naar betekenisverschil tussen buur en boer.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

buur znw. m., mnl. buur ‘inwoner, buurman’, noordnl. bijvorm van ghebuur ‘buurman, landman’, os. gibūr ‘buurman’, ohd. gibūr(o) ‘inwoner, medeburger, landman’, ofri. būr ‘inwoner, buurman, landman’, oe. gebūr ‘bewoner, landman’. Samengesteld uit het praefix *gi (zie: ge-2) en *būra ‘huis, vertrek’, vgl. mnl. buur ‘huis, schuur’. os. būr ‘huis, vertrek, ohd. būr ‘vertrek, huis, schuur’, oe. būr (ne. bower) ‘vertrek’, on. būr ‘vertrek, voorraadschuur’; een afleiding van het ww. bouwen. — Zie: boer.

Een westgerm. woord is nabuur, mnl. nāghebuur, noordnl. nābuur, os. nābūr, ohd. nāhgibūr(o), oe. nēahgebūr (ne. neighbour). — Kaufmann, WS 2, 1910, 28 beschouwt de verhouding van buur en boer als volgt: de boer is de landbouwer, die tot het inwonend personeel van de huisheer behoort en buur is eerst ontstaan, toen de boeren in de markgemeenschap bij elkaar woonden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

buur znw., mnl. buur m. “inwoner, buurman”, noordndl. bijvorm van ghebuur “id., landman”. = ohd. gibûr (gibûro) m. “inwoner, medeburger, landbewoner” (nhd. bauer), os. gibûr m. “buurman”, ofri. bûr m. “inwoner, medeburger, buurman, landman” (ouder *gi-bûr), ags. gebûr m. “bewoner, landman”. Uit *ʒi- + *ƀûra- “huis, vertrek”, mnl. buur (m. o.?) “huis, schuur”, ohd. bûr m. “vertrek, cel, huis, bewaarplaats” (nhd. bauer “vogelkooi”), os. bûr “huis, vertrek”, ags. bûr m. “vertrek” (eng. bower), on. bûr o. “id., voorraadschuur”, — een dgl. samenst. als gezel. Germ. *ƀûra- van idg. bhû- (zie bouwen) in de bet. “zich ophouden, wonen”; formantisch vgl. alb. bur̄, bur̄ɛ, “man, echtgenoot”. Een westgerm. samenst. is nabuur, mnl. nâghebuur, noordndl. nâbuur m. = ohd. nâhgibûr(o) (nhd. nachbar), os. nâ-bûr, ags. nêah gebûr (eng. neigh-bour) “buur”.Vgl. nog boer I. De bet. ‘boer’ van wgerm. *ʒa-bûra(n)- is verklaard als “farmer, die hoort “zum weiteren Ingesinde des Hausherrn”” (Kaufmann, Wörter und Sachen 2, 28); “buur” wordt dan als een jongere bet. opgevat, opgekomen toen door de evolutie der maatschappij de farmers elkaars “markgenossen” werden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

buur m., Mnl. ghebure: z. boer en gebuur.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

bêre 'schuur, huis'
Ofri. bêre 'schuur, huis' < germ. *bûrja- 'stal, bijgebouw, schuur, hut', een afleiding van germ. *bûra, buur 'woning, klein huis'.

buren 'nederzetting, buurt'
Versteende datief meervoud met plaatsaanduidende functie van buur 'woning, klein huis', betekent letterlijk 'bij de woningen', hetgeen zich ontwikkelde tot de algemene betekenis van 'nederzetting, buurt'. Vergelijk ook → Burum en → Bierum. In het Nederlands en Duits is buren in bovenstaande betekenis uit de gewone woordenschat verdwenen en leeft nog slechts voort in plaatsnamen. In het Fries is de secundaire meervoudsvorm buorren nog in gebruik in de betekenissen 'buurschap, gehucht' en 'dorpskom'.
Oudste attestaties in plaatsnamen: 845 kopie 10e eeuw In UUestarburon (→ Westerburen)1, 10e-11e eeuw in Burion (→ Buren2)2.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 392, 2Idem 104.

buur 'woning, klein huis'
Onl. bur 'woning, klein huis', mnl. buur, buer 'huis, schuur', ofri. buer 'huis, schuur', os. bûr 'huis, vertrek', ohd. bûr 'vertrek, huis, schuur', oe. bûr 'vertrek', ono. bûr 'vertrek, voorraadschuur'. In onl. bur zijn twee vormen samengevallen: de ene gaat terug op germ. *bûra- 'woning', ofri. buer 'huis, schuur', de andere op germ. *bûrja-, ofri. bêre 'schuur, huis', ne. byre 'koestal', een afleiding van *bûra, waarmee een kleiner bouwwerk werd aangeduid, zoals een stal, bijgebouw, schuur, hut of berghok. Germ. *bûra- behoort bij het werkwoord *buwan- 'wonen'. Onder andere in het Frankisch werd bûr de gebruikelijke aanduiding voor woonplaats; het kwam hier in de plaats van sale (zie zaal). Evenals bij huizen treffen we dit toponymisch grondwoord het vaakst in de vorm buren aan, een versteende datief meervoud met plaatsaanduidende functie, wijzend op een nederzetting. Vergelijk ook de parallellen Driehuizen - Trebur (Dld), 870 kop. ca. 920 Triburias en Zevenhuizen - Zepperen (B), 784-791 kop. 10e eeuw Septimburias. In het Nederlands en Duits is buren in bovenstaande betekenis uit de gewone woordenschat verdwenen en leeft nog slechts voort in plaatsnamen. In het Fries is de secundaire meervoudsvorm buorren nog in gebruik in de betekenissen 'buurschap, gehucht' en 'dorpskom'. De oudst geattesteerde vorm in een Nederlandse plaatsnaam is 772 kop. ca. 1183-1195 Buria, uit germ. *bûrja- (→ Buren2)1.
Lit. 1Lit. Naamkunde 28 183v.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Een goede buur is beter dan een verre vriend, men heeft meer aan vrienden die dichtbij dan aan die veraf wonen.

Spreuken 27:10 ligt waarschijnlijk aan dit spreekwoord ten grondslag: 'Een vriend in de buurt is beter dan een broer ver weg' (NBV). Het komt al in oude spreekwoordenverzamelingen voor, in een vorm die nauwer dan de tegenwoordige bij die van de bijbel aansluit, bijvoorbeeld: Beter een na nabuer, dan en veer vrent, in de Gemeene Duytsche Spreck-woorden (1550, ed. Kloeke). Vrent of vriend moet hierin wel opgevat worden in de nu verouderde betekenis 'familielid'. Het spreekwoord is zo bekend dat ook delen ervan op zichzelf aangehaald worden.

Liesveldtbijbel, Spreuken 27:10. Een nabuere is beter bi, dan een broeder verre.
De studie 'Een goede buur, Duitsers en Nederlanders in de Euregio'. (Liberaal Reveil, 1998, nr. 2)
Een goede buur is beter dan een verre vriend. Verwonderlijk was het niet dat de buurlanden van Joegoslavië steeds probeerden zo normaal mogelijk met Milosevic om te gaan. (De Volkskrant, 30-4-1999)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Boer is eig. geboer en dit voor gebuur = medebuur, van het Oudgerm. bur (spr. boer) = woning. (De verandering van buur in boer, eig. dezelfde woorden, is nog niet goed opgehelderd.) De „buren” zijn de bewoners van een marke, een „buurt” (o.a. bestaat nog de Ederbuurt met een buur(t)meester, elders boerrichter). Voor de stedelingen waren deze buren of boeren (dus letterlijk de buurt- of markebewoners), plattelandsbewoners en min of meer onbeschaafd.
Buur zelf is een afl. met r van den wortel bu (= boe), d. i. wonen, ook landbouw uitoefenen, zie Aard; de Idg. wt. bhu bet.: ontstaan, voortbrengen, zijn; vandaar nog ons: ik ben, du bist. Zie Bouwen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

buur* die in de omgeving woont 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

386. Beter een goede buur dan een verre vriend.

Deze gedachte vindt men in den Bijbel, Spreuken 27: 10, uitgedrukt met de woorden: Beter is een gebuer die naby is, dan een broeder die verre is, waaruit blijkt, dat vriend moet worden opgevat in den zin van bloedverwant. Bij Campen, 18: Beter een na nabuer dan een veer vrent. Zie verder Grimb. II, 5382: Hout u gebuere over u vrient; by goeden gebueren, sonder sorgen, heeft men dicke goeden morgen; Hild. 241, 97: Goet ghebuer is vrient ter noot; Werner, 103: Utilior presto vicinus fratre remoto; Bebel, 75; Erasmus, CL; Sart. II, 4, 60; De Brune, 231; Een nae ghebuyr veel beter dient, als dickwils doet een verre vriend; Tuinman I, 360: Beter is een goed nabuer, dan een verre vriend; Harrebomée I, 105 a; Ndl. Wdb. III, 1935; Taalgids IV, 266; Waasch Idiot. 237: 't Is beter een goede gebuur als een verre vriend; Tuerlinckx, 404; Teirl. 451; Antw. Idiot. 1697; Claes, 67: 't Is beter een naë gebuur as een wije vriend; fr. qui a bon voisin a bon matin; hd. ein guter Nachbar in der Not ist besser als ein ferner Freund; oostfri.: beter 'n gôd naber as 'n ferre fründ; eng. a good neighbour is worth more than a far friend.

1341. Iemand voor het lapje houden,

d.w.z. iemand voor den gek houden, iemand iets op de mouw spelden, hem in het lange jak laten loopen (in C. Wildsch. VI, 239). Deze uitdr. wordt in de 17de eeuw aangetroffen in de Klucht v.d. Pasquilmaecker, I, 19: Hebbense my eens voor 't lapje gehadt, 'k salder die koek nou wel so weten te backen, dat, enz.Op bl. 8 lees ik: ‘Ondertussen houje ons veurt lappen,’ welke vorm mij niet duidelijk is. Verder trof ik haar aan bij Winschooten, 304; Van Effen, Spect. VII, 60 en 63; C. Wildsch. IV, 41; bij Tuinman, I, 274: Hy loopt voor 't lapje. Vgl. ook Jong. 273: Zij hielden de juffrouw voor 't lapje; P.K. 43; Het Volk, 3 Maart 1914 p. 10 k. 4: Wat ergerlijk is, is dat de arbeidsinspektie zich maar goedwillig jarenlang voor het lapje heeft laten houden; Kalv. II, 145: Onderlinge malkaar van 't lappiehouwerij; Molema, 538 b: iemand veur t lapke hollen, waarnaast lapperij, gekheid (Volkskunde XIII, 168); Noordbr. veur 't lapke haauwen; Overijs. veur 't lepken holden; Schuermans, 326: iemand voor 't lapken houden, met iemand spotten; Ten Doornk. Koolm. II, 470 a: ên fôr 't lapke hebben; Woeste, 157 a: ümmes för en läppken brûken, einen zum besten haben; Eckart 309: jemes för et Lappken halden. Het in deze spreekwijze voorkomende znw. lapje is het verkleinwoord van lap, dat in het mhd., mnd. en ook later beteekende homo stolidus, ineptus, iners; vgl. Grimm VI, 192, die vele plaatsen citeert, waar sprake is van ein junger Lappe (vanwaar nog läppisch, närrisch en Lappalie), waarnaast ook ein junger Laffe, dat thans nog in het hd. zeer gewoon is. Eig. zou volgens Grimm dit lappe, laffe moeten beteekenen een kind dat lept; en vandaar een sukkel, een onnoozele hals; vgl. het oostfri. laffert, een jongen, die als een zuigend kind vrijt, met den mond lekt; en lapsak, in Kl. Brab. een lapper(t), een onnoozel mensch, domoor; Holst, lapp, lappert, lafbek (Molema 235 a en 238). Waarschijnlijker komt het mij voor, dat we moeten denken aan eene beteekenis slap neerhangen, krachteloos, moe zijn, die beide wortels laf en lap in zich vereenigenZie Franck-v. Wijk, 367; 368 i.v. laks; Mnl. Wdb. IV, 154; Schuermans, 321 i.v. labbe., zoodat een lap eig. is: een slappe vent (vgl. het 17de-eeuwsche een slappe gans, eene onnoozele vrouw), een weekeling, een knul, een sukkel. Synoniem is maf, dat in de 17de eeuw beteekende moe, traag en als znw. een gek, in welken zin het vrij gewoon is in de uitdr. voor het mafje loopen (Sewel, 469; Halma, 334) en iemand voor het mafje (of de maf) houdenDe Jager, Frequ. I, 401; Teirlinck, Wdb. van het Bargoensch 43-44; Gew. Weeuw. II, 44; C. Wildschut III, 26, 264; IV, 32; V, 272; VI, 56; Sewel, 474; Ndl. Wdb. IX, 87; enz. Voor ‘het is maf weer’ zegt men in Zuid-Nederland ‘het is laf weer’, dat ook dialectisch bij ons bekend is (no. 1319 noot)., synoniem van iemand voor het jobje (deminutief van jobbe, homo ignavus, obtusus) houdenVan Hasselt op Kiliaen, 268; Oudemans III, 279 i.v. jubben; Epkema II, 228., iemand voor den boer houden (Halma II, 68) en iemand voor het sotje houden, dat voorkomt in den Sp. Brab. vs. 1783; vgl. ook mnl. sijn foolken met enen houdenMnl. Wdb. II, 835.. Zie no. 1319.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut