Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

butoor - (roerdomp)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Kleine Butoor Oude N naam voor het Woudaapje ↑ bij Houttuyn 1763, B&O 1822, Schlegel 1858 en Albarda 1897. Bij Calkoen 1903: “de Kleine Butoor of Dwergroerdomp.”

Pictoor Zie Pitoor, Putoor en Butoor.

Pitoor Oude N naam voor de Roerdomp ♂. Ook Pictoor, Putoor ↑, Puitoor (Gent (OVl), Turnhout (A)) en Butoor ↑. Putoer (1542); Poi(c)toir (1595) [Brouwer 1953]. Overgangen van -b- naar -p-, zoals in het onderhavige geval (Butoor/Pitoor), vinden we ook in Elzebuus naar Elzenpuist ↑ en in bonge naar ponge (zie sub Pongmieske). Ook in de etymologie van de noord-hollandse plaatsnaam Sint Pancras (b plaats [Eigenhuis 1993, Windbreker 58]. Voor het fenomeen in het D zie sub Pimpelmees en sub Pauwgans.
Pitoor en -pitoortje maken ook deel uit van namen voor het verwante, maar kleinere Woudaapje, zoals in Houtpitoortje ↑; voor Kleine Putoor zie sub Putoor.
Het in de VK (c.1618) vermelde “PUTOOR. J. VISSE ...i. hydra” verwijst niet naar de Roerdomp, maar naar de Bunzing Putorius putorius (L) [Lat putor ‘stank’, naar de geur van het dier]. Mnl Visse = Bunzing (maar Gr ὕδρα húdrā = ‘Otter’; dr. W K Kraak in litt. 951124; Bartelink 1958 geeft als vertaling “Waterslang, Hydra”). Met mnl visse zijn etymologisch verwant N Wezel (wes(s)el wisula, verkleinwoord van ohd wissa ‘Bunzing’) *wis(j)o ‘stinkend dier’, stinken) en F Vison ‘Nerts’ vissio ‘stank’ vissire ‘een wind laten’.

Puitoor Vlaamse volksnaam voor de Roerdomp. Zie onder Pi(c)toor en Butoor.

Butoor Oude volksnaam voor de Roerdomp ↑ [Houttuyn 1763], nu vrijwel alleen nog in Vlaanderen [WVD 1996 (WBD)]. Ook variante namen als Putoor, Pitoor, Pictoor ↑ en Puithoren (Joos 1900) en als onderdeel van volksnamen voor het Woudaapje ↑: Houtbutoortje, Kleine Butoor. Putoer (1542), Poi(c)toir (1595) [Brouwer 1953], Butoor en Pitoor bij Junius 1581 [Suolahti]. Als toenaam van een persoon is in 1180 opgetekend “simon butorvalca” (letterlijk ‘Simon de Roerdompenvalk’; ws. was deze Simon een Draufgänger), wat dus neerkomt op een onl attestatie van Butorfalko ‘voor de Roerdompenjacht afgerichte Valk of Havik’ [Schoonheim 2002].
ETYMOLOGIE N Butoor 1 (ook Putoor, Pitoor en Pittoor [MH] *butor < mf butor4 (12e eeuw).
Lat butio ‘Roerdomp’ (klanknabootsend) + Lat taurus/F taureau ‘stier’ (een toespeling op het geluid) = mf/F Butor. De wetenschappelijke naam Botaurus van de Roerdomp is een latinisering van de F naam. Ook E Bittern (c.1330 “botors”, c.1386 “bitore”) is uit mf overgenomen.
N.B.: Lat butio moet niet verward worden met Lat buteo (zie sub Buizerd).
Jobling 1991 ziet ook het woorddeel bo- in Botaurus als verband houdend met het zoogdier i.v.m. zijn verwijzing naar Lat bos en Gr βοῦς boûs (‘Os, Rund’). In deze zienswijze is Botaurus dan een zgn. tautologische samenstelling, d.w.z. Bo- en -taurus verwijzen elk naar (praktisch) hetzelfde begrip. Zie ook sub Koereiger, waar de verwijzing naar de Koe om een heel andere reden is.

==

1 De oudste vindplaats voor dit woord is ws. bij JvM c.1266: vs.635 Butorius, als ic hore lesen, / Mach butor in Dietsche wesen. / Hals ende been heeft hi lanc, Den bec scarp ende sere stranc2. / Na daerde sijn sine plumen ghedaen. / Zijn veren zijn aardkleurig. / In marassce wil hi gaen: / Hij leeft in moerassen: / Daer staet hi stille in der ghebare / in roerloze houding / Als of hi doet of een steen ware, / Alsof hij dood of een steen was, / Ende hevet getrect in sinen hals, / met zijn hals ingetrokken, / Als een dief fel ende valsch, / Ende al omme vissche te begaen, / te pakken te krijgen, / Dier hi vele pleghet te vaen. / waar hij er heel wat van vangt. / Als hi hem bevoelt int strec, / Als hij denkt dat hij er een vangen kan / Staet hi stille ende hout den bec, / Die scaerp es, ter staerke3 dan; / Ende alsen nemen waent die man, / Als hij denkt dat hij er bij kan, / Staect hine daer hine mach gheraken. / steekt hij hem waar hij maar kan. / Die havec die moet oec smaken / De havik maakt soms ook kennis / Somwile sine sware steke, / met zijn venijnige steken, / ls hine vaet onwiseleke. / als hij hem onbehoedzaam vangt. / Ende, ghevenijnde diere / Allerlei giftige dieren, zoals / Eet hi wel, dits sijn maniere. / padden, eet hij normaal. / In lentin maect hi een luut / In de lente maakt hij een geluid, / n broeken, daer hi staet int cruut, / terwijl tussen de moerasplanten / Met sinen becke int water claer, / staat, met zijn bek in het water, / Alsof et een donre waer. / Alsof de donder klinkt. / Sere wel riect hi te viere: / Zeer lekker ruikt hij aan ’t spit / Heren spise eist, want hi es diere. / Het is rijkeluis kost. / Medicine es alle sijn smout, / Bedi es dattet menich hout. / Zijn vet wordt medicinaal toegepast, door menigeen.

2 krachtig

3 variant: ter steke

4 Hiervan is ws. afgeleid mf Bior, en hiervan weer F Bihoreau ‘Kwak’ [C&C 1995 p.20]. Kwakken werden vroeger veel gegeten, en daarom ook verhandeld. Bourne veronderstelt [in litt. 961112], dat de uit Frankrijk aangevoerde Kwakken (“Bioreaux”, “Bihareaux”) op z’n Engels “Brew” werden genoemd en verklaart aldus E Brew(e). Eerder had Gurney 1921 verondersteld dat Brew(e)s Regenwulpen zouden zijn, maar dit is onwaarschijnlijk, omdat het impliceert dat men dan Wulpen van Regenwulpen zou hebben kunnen onderscheiden (ze lijken erg op elkaar) en omdat Brewes 3x zo duur waren als Wulpen (ondanks dat Regenwulpen kleiner zijn)

Putoor Volksnaam voor de Roerdomp ↑. Ook Pitoor, Pictoor ↑, Puitoor, Puithoorn en Butoor ↑ en Boetoor [WVD].
Kleine Putoor is een opgegeven volksnaam voor het Woudaapje in Woumen (WVl) [WVD]; het Woudaapje lijkt in een aantal opzichten op de Roerdomp maar is duidelijk kleiner. De namen Puteùr en Putoor voor het Woudaapje in (delen van) Zeeuws-Vlaanderen [Rogiers 1988] zal wel verklaard moeten worden uit een grotere bekendheid (ooit) van de mensen ter plaatse met het Woudaapje dan met de Roerdomp. WVD bevestigt het gebruik van deze of soortgelijke namen voor het Woudaapje elders in Vlaanderen overigens níét. Jonkers et al. 1987 noemt Butoor als (tweede) volksnaam voor het Woudaapje ergens in Vecht- en/of Eemstreek (NH/U), maar dit berust mogelijk op een vergissing, aangezien dezelfde bron Pietoortje als volksnaam voor de veel grotere Roerdomp opgeeft.
ETYMOLOGIE De [p] in Putoor is een verscherping van de eerdere [b] in Butoor ↑ en varianten. Hierdoor werd de vogelnaam het homoniem van Putoor ‘Bunzing’, zoals bijv. vermeld in de VK c.1618: “PUTOOR. J. VISSE ... i. hydra”. Mogelijk heeft F Putois (1175) ‘Bunzing’ of laatLat putorius (de wetenschappelijke genusnaam van de Bunzing; pūtor ‘verrotting, stank’) een rol gespeeld bij het ontstaan van Putoor ‘Roerdomp’.
[De betekenis ‘hydra’ (= Waterslang) die de VK opgeeft berust misschien op verwarring van Putoor met de slang Python? Jacob van Maerlant noemt in boek 6 van Naturen Bloeme de Lat naam Pister voor een soort van Slang.]
Mnl putier ‘hoereerder’ is etymologisch verwant met Putoor ‘Bunzing’, niet met Putoor ‘Roerdomp’.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

butoor: (verouderd) ongemanierd persoon; lomperd. Eigenlijk een benaming voor de roerdomp (een moerasvogel, bekend om zijn zwaar, loeiend geluid).

’t Is een butoor, die yemant krauwt, daer ’t hem niet en juckt. (J. de Brune, Bankket-werk van goede gedagten. 2 dln. Middelburg, 1660)
Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

butoor [roerdomp] {1287} < frans butor < ∗butitaurus, van latijn butio [roerdomp], samengevoegd met taurus, een vogeltje dat volgens Plinius zo genoemd is omdat het het geloei van de stier (= taurus) nadoet, waarbij het vermoedelijk om de roerdomp gaat; butio komt van butire [schreeuwen (van dieren)], dus naar zijn geluid benoemd → buizerd.

pitoor, putoor [roerdomp] {putoor, pitoor 1388} nevenvorm van butoor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

butoor znw. m. ‘roerdomp’, mnl. butoor < fra. butor, wordt wel afgeleid < gallo-rom. *būti-taurus, met het woord taurus ‘stier’ van butio ‘roerdomp’ gevormd (Gamillscheg 162).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

butoor (roerdomp), mnl. butoor m. Uit fr. butor (van onzekere afkomst). Mnl. ook putoor, pit(t)oor m. (nnl. putoor, pitoor).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

butoor m., Mnl. butoor, gelijk Eng. bittern, uit Fr. butor, van Mlat. butorium (-us), Lat. buteo: z. buizerd.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut