Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bussen - (met een bus rijden)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bussen (buste, heeft gebust), 1. i.h.a. met een bus rijden, als chauffeur of als passagier. Die s’sa, zuster van die twee jongens die nu weg waren met bussen, hoor hoe ze zelf ook een zucht lanceerde () (Cairo 1980b: 51). - 2. in een bus als passagier rijden als vorm van ontspanning. - 3. met een groep in een bus rondrijden als feestelijk vermaak, i.h.b. met kinderen als viering van een verjaarpartijtje. Ze werd één jaar, toen heb ik voor d’r gebust en ze heeft ook gedanst (Doelwijt 1971: 90). - Etym.: AN b. = een poststuk in een brievenbus doen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut